23 juni 2016

22 juni 2016: Sint Barbara (II)


Vandaag wederom naar begraafplaats Sint Barbara. Gisteren werd ik zo in beslag genomen door de plek en door de graven die ik er zag, dat ik nauwelijks toekwam aan enige contemplatie.

Heb de boeddhistische teksten opgezocht waarin sprake is van het knekelveld als plek voor contemplatie op vergankelijkheid, wat voor mij aanleiding was om de begraafplaats te bezoeken. Al speurend kwam ik op de Mahasatipatthana Soetra, waarin het lichaam wordt voorgesteld als een 'zak met ingrediënten'.

Het blijft een vreemde ervaringswereld waarmee ik zo in aanraking kom, ook al ben ik reeds vele jaren vertrouwd met meditatie en is het boeddhistisch gedachtegoed mij redelijk bekend. Met name uit de oude teksten, uit de begintijd van het Boeddhisme, spreekt een kijk op het leven waar ik niet onmiddellijk sympathie voor heb.

Een overgeleverde uitspraak van de Boeddha zegt bijvoorbeeld het volgende:
‘Dit is vredig, dit is verheven, namelijk het tot rust komen van alle drijfveren, het verzaken van alle bezit, de vernietiging van de begeerte, passieloosheid, ophouden, nirvana.’
En: ‘Alle geneugten dienen vermeden te worden om de andere oever (nirvana) te bereiken.’
Klinkt nogal ascetisch, - althans, zo komt het op mij over.

En wat te denken van de volgende uitspraak?
‘En verder beschouwt een monnik dit lichaam zoals hij zou kijken naar een lijk dat op een knekelveld is geworpen, één dag dood, twee dagen dood of drie dagen dood, opgezwollen, donkerblauw geworden, in staat van ontbinding: “Dit lichaam van mij wacht hetzelfde lot, het zal net zo worden, het kan dat lot niet ontlopen.”’
Vanwaar die vijandigheid jegens het lichaam? Of lees ik het verkeerd?

Laat ik er eens naar kijken op de begraafplaats. Misschien begrijp ik het dan anders.

                                                            *****


Het denken op locatie blijft mij verrassen, evenals het zich verplaatsende denken, - zo anders dan wanneer ik thuis achter mijn computer blijf zitten, in een vertrouwde omgeving, waar alles ongeveer is zoals ik het wil hebben en die mij verder geen vragen stelt. Wandelen zet het denken in beweging, maar niet te snel. Langzaam denken, op het ritme van mijn voetstappen.

Op elk moment kan ik de pas inhouden, even gaan zitten om een aantekening te maken, of een onbekend pad inslaan, zoals ook denken betaamt. Wandelend is denken een mogelijkheid. Ik kan om mij heen kijken, bij iets stilstaan, een foto maken. Teruglopen zelfs, om nog eens beter te kijken. Soms piept er een dichtregel tevoorschijn, of een geweldige formulering die ik niet kan laten lopen.

Wandelen maakt dat ik niet altijd hoef te denken. Wanneer het beter is om een gedachte even te laten rusten, is er meestal meer dan genoeg om aandacht te geven. En er is altijd nog de lucht en de wolken. Ruimte.

Dit onderzoek ben ik niet aan het doen om mijn opvattingen te bevestigen, maar juist om ze uit te dagen en aan herziening te onderwerpen. Denken, in plaats van eerdere gedachten te reproduceren: dat is mijn inzet. Ongemakkelijkheid en verwarring zijn dus welkom.

Iets anders is de tijd die het vergt om werkelijk te denken, met de bereidheid nieuwe wegen te gaan, en dat ook doen. Met te weinig tijd is de neiging groot om terug te vallen op wat ik eerder gedacht heb. Gelukkig heb ik nu weer denktijd, tijd om me overhoop te laten schoppen door het onverwachte.

                                                            *****


Op een bankje in het zonbeschenen Sint Barbara lees ik opnieuw een tekst die me bij eerste lezing frappeerde:
"Juist zoals, monniken, er een zak zou zijn met twee openingen, gevuld met graan van verschillende soorten, namelijk: heuvelrijst, rijst van het laagland, bonen, tuinbonen, sesamzaad, gepelde rijst; en een man met ogen die goed zien, zou, nadat hij de zak losgemaakt heeft, denken: 'Dit is heuvelrijst; dit is rijst van het laagland; dit zijn bonen; dit zijn tuinbonen; dit is sesamzaad; dit is gepelde rijst.' Op dezelfde manier, monniken, beschouwt een monnik dit lichaam dat slechts gehuld is in een huid en vol met veel onreinheden is vanaf de voetzolen naar boven, en vanaf het haar op het hoofd naar beneden, en denkt hij: 'Er is in en aan dit lichaam haar van het hoofd, haar van het lichaam, nagels, tanden, huid, vlees, zenuwen, botten, merg, nieren, hart, lever, middenrif, milt, longen, dikke darmen, dunne darmen, de inhoud van de maag, ontlasting, gal, slijm, etter, bloed, zweet, vet, tranen, lymfe, speeksel, snot, gewrichtssmeer, en urine.'"

Ik realiseer me dat ik er eerder teveel in heb gelezen. Hij gaat niet over mij als mens, maar over mijn lichaam. En dan is het minder vreemd. De beschrijving biedt een manier om mijzelf als samengesteld geheel uiteen te leggen, en een deel ervan is mijn lichaam (naast gevoelens en gedachten, bijvoorbeeld), zoals dat weer is samengesteld uit organen, en deze zijn vergankelijk.

Van de lijken die hier liggen begraven zullen ondertussen de meeste organen zijn verteerd. Ineengeschrompeld. Opgegeten door bacteriën. Weg, op wat botten na. Ik had zo nog niet naar de graven gekeken. De zerken liggen er om een nagedachtenis op te richten, iets dat wil blijven. Zij willen een herinnering levend houden, en onttrekken de vergankelijkheid aan het zicht. De lichamen die deelnamen aan de weelde van het leven zijn niet meer. Dat zal dus ooit ook met het mijne gebeuren.

‘Het lichaam beschouwen als een lichaam’: heeft dat zin?
"Op deze wijze beschouwt hij intern het lichaam als een lichaam, of hij beschouwt extern het lichaam als een lichaam, of hij beschouwt zowel intern als extern het lichaam als een lichaam. Hij beschouwt het opkomen van dingen omtrent het lichaam; hij beschouwt het vergaan van dingen omtrent het lichaam; of hij beschouwt het opkomen én het vergaan van dingen omtrent het lichaam."

Ja, wat bedekken de grafstenen die ik hier zie? Zij bedekken de vergankelijkheid van het lichaam.

In dit besef loop ik opnieuw langs de graven. En ik kan het niet ontkennen: ook mijn lichaam loopt er langs, als een zak vol organen en botten.

Het meest ontroert me de graven met (erg) jong gestorvenen. Ik wil er niet aan denken.

                                                            *****


Er is een begrafenis vandaag. De klok van de kapel slaat monotoon, enkele minuten lang. Een lange grijze auto rijdt voor. Ik zie mensen in zwart kostuum naar binnen gaan. Anderen volgen, fleuriger gekleed. Na een kwartier of twintig minuten opnieuw gebeier. Een stoet van een kleine honderd mensen loopt achter de kist naar een open plek. Enkele toespraakjes. Veel bloemen. Nog een drankje. En dat was het weer.

                                                            *****


Ondertussen ben ik een nieuwe opruimactie begonnen! Gisteren heeft een stapel boeken elders onderdak gekregen, onder andere in een straatbibliotheekje, hier in de buurt. Een pakket tijdschriften en bijlagen die lagen te wachten om te worden uitgezocht heb ik zonder pardon in de papiercontainer gestort. Het blijkt goed te doen. Gewoon beginnen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten