Onderzoek naar de verhouding tussen filosofie en religie en
hoe ik mij daarin situeer, heeft me enkele dingen duidelijk gemaakt.
Ten eerste: er is een filosofische, seculiere ‘zit in het
leven’ en er is een religieuze, meer in het bijzonder godsdienstige ‘zit in het
leven’. (Ik besef dat deze tegenstelling niet een noodzakelijke is; zij zou er
ook anders uit kunnen zien. Ik ga uit van mijn eigen ‘zit in het leven’. Een
tegenstelling hiermee schept de meeste helderheid.)
Een filosofische ‘zit in het leven’ is wijsgerig van aard,
met passie voor waarheid als voornaamste drijfveer, en is eerst en vooral een
individuele aangelegenheid.
‘Seculier’ betekent dat uitgegaan wordt van één, natuurlijke
werkelijkheid. Dit is meer dan voldoende; er is geen reden om van meer uit te
gaan.
In de religieuze ‘zit in het leven’ gaat het om een
(her)verbinden, en dat wordt bij voorkeur in gemeenschap met geestverwanten
beleefd en gepraktiseerd, - waarbij de gemeenschap niet de enige ‘locus’ voor
(her)verbinding is, maar wel de eerst voor de hand liggende.
‘Godsdienstig’ impliceert dat men uitgaat van het bestaan
van een bovennatuurlijke orde, met een God als de belangrijkste bewoner ervan.
(Een eerste kanttekening, in de vorm van een vraag: in
hoeverre is de filosofische levensvoering te combineren met
gemeenschapsvorming? Is een onderzoeksgemeenschap, bijvoorbeeld, niet juist
bevorderlijk voor de individuele wijsbegeerte? Met andere woorden: kan filosofie,
opgevat als wijsbegeerte, ook religieuze vormen aannemen?)
Ten tweede: nog meer dan eerder realiseer ik me dat mijn ‘zit in het leven’ een filosofisch seculiere is.
Wijsbegeerte, gedreven door een passie voor waarheid, past mij als niets
anders. Denken is mijn weg: ik heb er last van, en kan het ook vruchtbaar
maken, als mijn pad.
Denkend streef ik ernaar om mijn verwarring en onwetendheid
op te helderen, en aldus mij te ontdoen van krampachtigheden. Filosofische
perspectieven, zoals belichaamd door de grote denkers, verruimen mijn blik (en
daarmee mijn levensvoering) ontegenzeglijk. En wat een tijd heeft geduurd
voordat ik het werkelijk kon appreciëren is het gehoor geven aan twijfel,
altijd wanneer hij zich aandient, samen met de bereidheid om aannames en
vooronderstellingen te (blijven) bevragen en mijn opvattingen te herzien. Het
lukt mij niet (en evenmin wil ik het) om twijfels moedwillig de kop in te
drukken, - ook al zou dat voor de voortgang (van een project bijvoorbeeld)
verstandiger zijn. Kritische zin, het ophelderen van verwarring en openstaan
voor twijfel hangen nauw samen en zie ik als onontbeerlijk in (mijn)
wijsbegeerte. Het blijkt geen vrijblijvende exercitie: telkens weer ben ik
verrast door de bevrijdende werking van inzicht.
Ten derde constateer ik een (welhaast) onoverbrugbaar
verschil tussen de seculier en de godgelovige, in ontologisch opzicht. Beider
ontologie, opgevat als denken over wat werkelijk is en hoe, verschilt in hoe
men denkt over de natuur (‘natuur’ breed opgevat, als zintuiglijk waarneembaar,
al dan niet met hulpmiddelen). De seculier ziet geen reden om aan te nemen dat
er iets meer is dan de natuur. De natuur is hem genoeg. De godgelovige gaat
ervan uit dat er naast de natuur nog een andere werkelijkheid bestaat: bovenzinnelijk,
en daarmee bovennatuurlijk.
In de praktijk blijkt het uit te maken vanuit welke
ontologie men vertrekt, met name voor wat men toegestaan en geboden acht (en
wat niet) en voor de rechtvaardiging ervan. Tegelijk blijkt dat een ontologisch
verschil het persoonlijke contact niet in de weg hoeft te staan.
Hoe verder?
Enkele opties dringen zich aan mij op, in de vorm van
vragen.
Kan filosofie, opgevat als wijsbegeerte, een spirituele weg
zijn? Wat is dan een spirituele weg? En hoe zou die er filosofisch uitzien? Wat
is de relevantie ervan, zowel existentieel als ook cultureel-maatschappelijk?
Wat te doen met het ontologische verschil? Is er werkelijk
sprake van een radicaal verschil? Of is er een andere, betere manier om het
verschil te overbruggen (of te ‘onderbruggen’)? – hetgeen zou betekenen dat er
filosofisch niet echt reden is om zich druk te maken over verschillen in
ontologie.
Wat te doen met ontologie überhaupt? Is zij een
denkdiscipline die hoort bij een filosofiebeoefening in de verleden tijd? Of
kan zij nieuwe vormen aannemen, zoals dat bijvoorbeeld ook geldt voor ethiek?
En zo ja, wat is dan de zin ervan?
Zou ontologie vehikel kunnen zijn voor wijsbegeerte als
spirituele weg? – dit is wat mij betreft een spannende optie om verder te
onderzoeken!
Bij nader onderzoek kan blijken dat deze vragen negatief
beantwoord dienen te worden. We zullen zien!
Geen opmerkingen:
Een reactie posten