08 juli 2016

7 juli 2016: De Wallen

Ben voor de tweede nacht op de Wallen. Gisteren lukte het niet helemaal: ik moest nog even wennen aan deze nieuwe locatie.

Ik weet nu ook waarom ik hier ben. Enkele dagen geleden had ik de inval om voor onderzoek een bezoek te brengen aan deze buurt, maar wist toen nog niet goed wat ik er te zoeken had.

Wat weet ik eigenlijk van de mensen die ik zie? Wat weten anderen van mij? Wat gaat er schuil achter een gezicht?

De Wallen zijn het tegenovergestelde van een begraafplaats. Hier is leven, volop leven. En leven draagt vaak een masker. Dat blijkt helemaal hier: de schone schijn straalt me vanachter elk raam tegemoet! Het rode licht maakt het aangeboden lichaam nog meer tot vlees, een buitenkant, - en bedrieglijker: binnen, in ander licht, blijkt het aanzienlijk minder gaaf, gewoner, minder aaibaar.

Waarom zou ik hier iets willen onderzoeken?

Mijn vriendin verbaast zich er af en toe over wat zij niet allemaal over mij te weten komt door al deze schrijverij. Inderdaad, veel van wat in dit Logboek belandt zou ik niet zo snel ter sprake brengen in een gesprek. Waarom?

Hoe het ook zij, aan mij zul je niet zien wat er schuil gaat achter mijn uiterlijk, zeker de verhalen niet, - zoals ik ook niet weet welke verhalen zich verbergen achter de gezichten en lijven die ik hier zie.

Lang geleden dacht ik dat rosse buurten het exclusieve domein van mannen waren. Wat betreft bezoek aan hoeren zal dat ook het geval zijn. Maar er lopen ook veel vrouwen rond. Wat doen zij hier?

Toen ik een aantal jaren in een hotel werkte, kreeg ik meer dan eens het verzoek van alleenreizende vrouwen om hen te begeleiden naar de ‘Red Light District’. Waarom wilden zij daar naartoe? Behalve dat het een buitengewoon levendige bezienswaardigheid is, een ‘must see’ uit de gids, ontdekte ik ook een andere reden: de macht van vrouwen, hun macht, - in potentie, althans. Zij wordt hier ten volle uitgespeeld, met mannen als gewillige onderdanen: ze betalen er zelfs voor! Interessant om die macht hier zo uitbundig geëtaleerd te zien. En ja, zij valt moeilijk te negeren.

Een glimlach betekent hier geen glimlach, een handkus is niet die van een geliefde, en een knipoog lijkt slechts op flirten.

Wat me altijd heeft gefascineerd is de geheel eigen morele ruimte van een rosse buurt. Er gelden andere regels en gewoonten (beter om je niet te vergissen!), en er wordt gespeeld met het verschil: wat elders normaal is, is het hier niet. Alleen al door hier te zijn, ben ik een ander, word ik anders bekeken. De sekserollen zijn er vaak omgekeerd. Ook de primitieve mens manifesteert zich hier ruimschoots, zeker na wat biertjes: onnodig om op te kijken van lallende jongeren op zomerkamp alhier. Vechtpartijtje. Politieoptreden. Het hoort erbij.

Heb ik zin om naar binnen te gaan in één van de rode kamertjes? Niet echt. De schijn weerhoudt me. Ik weet dat de liefde binnen gewoon handel is. En deze handel moet het hebben van fantasie en zich opdringende lust. De realiteit is tamelijk ontnuchterend, de belofte bedrieglijk, en dit weten helpt niet echt om er zin in te houden. Bij een flinke dronkenschap zou ik me misschien over de drempel heen kunnen zetten. Heb geen behoefte nu om dit nog eens te onderzoeken.

Blijft de vraag: wat schuilt er achter de buitenkant van mensen die ik hier zie? Wat verbergt zich achter de vorm? Is zij een façade voor ellende? Verhult zij een niets? Een rijk gevoelsleven? Een interessant leven? Ik kan het niet zien, heb slechts een vermoeden, wanneer ik mijn best ervoor doe.

De vergelijking met meditatie dringt zich op. Op een kussen gezeten ziet iedereen er kalm en rustig uit. Maar afgaand op wat er bij mij gebeurt, is het doorgaans een flinke kermis in ieders hoofd, ook al is daar niets van te zien.

Behalve dat het gewoon niet te zien is wat er innerlijk allemaal speelt, kunnen de innerlijke roerselen ook bewust worden ingehouden. Of verborgen. Alsof het een geheim betrof. Of iets dat je niet geweten wilt hebben.

Jarenlang gold dat zeker ook voor mij. Mijn afkomst, als boeren dorpsjongen, hield ik verborgen, evenals mijn verleden met geloof. Niet dat het echt hielp: sommigen zagen of hoorden het ook wel zonder dat ik erover vertelde. Waarom? Wat maakte dat ik erover zweeg? Ik wilde er niet op afgerekend worden. En ja, dat gebeurt.

Ik kan me nog vrij precies ontmoetingen herinneren waarin de ander voor mij een hok in petto had, zodra hij of zij een vermoeden kreeg van hetgeen waarover ik het liever niet wilde hebben. In plaats van er luchtig mee om te gaan, verdwenen deze mensen-met-hokjesgeest meestal in het asiel dat ik had gereserveerd voor degenen die ik haatte. Een hok voor mensen met een hokjesgeest dus.

Ik heb het geluk geen discriminatie te hebben ervaren die te maken heeft met etniciteit of sekse. Ik weet wel hoe het voelt om te worden weggezet als ex-gereformeerde boeren dorpsjongen. Inderdaad, vernederend en ‘adembenemend’: elke vrije ruimte wordt je ontnomen, wat je verder ook doet of beweert. Bovendien werd ik dan ook nogal eens kribbig of kwaad, wat evenmin echt helpt.

Wat ertegen te doen? Geheimhouding was dus lange tijd mijn strategie. Ben het echter beu om nog langer te doen alsof ik iemand niet ben.

Wat ik nu doe, als vervangende strategie – en dit logboek is er een eerste uitwerking van - , is om vruchtbaar te maken waar ik eerder last van had, of bang voor was om te tonen. Ik heb nu iets in de aanbieding!

Laat ik mijn eigen hok opengooien! Heb mijzelf erin opgesloten. Ben dan ook zelf degene om het slot eraf te gooien en de hele bunker te laten verdampen. Simpeler kan het niet! En voor wie nog de neiging heeft tot hokkenbouwerij: ik ben benieuwd wat deze persoon me te leren heeft over het mechaniek van kleingeestigheid. Tot zover de façade!

Het blijft opmerkelijk dat in het hart van de rosse buurt de Oude Kerk staat. Ik kan me de buurt ook slecht anders voorstellen. Ze lijken met elkaar te maken te hebben, of elkaar aan te vullen. Hoe? Horen zij bij elkaar zoals hetgeen ik uitleef hoort bij hetgeen in mij leeft?

Een andere eigenaardigheid: deze buurt is wellicht de enige in Amsterdam waar je niet geacht wordt foto’s te maken. En als je het wel probeert, dan krijg je er last mee. Er zijn types die het niet erg op prijs stellen. Aandacht voor de buitenkant heeft z’n grenzen. Niet alleen verhult het uiterlijk wat er innerlijk leeft; soms ook dient het uiterlijk verhuld te worden, omdat het teveel 'innerlijkheid' toont: het is niet de bedoeling dat iedereen je hier ziet.

Op het terras waar ik ben gaan zitten trekt een aanhoudende stoet nieuwsgierigen en gelukszoekers aan me voorbij, - althans, zo label ik hen, afgaand op gezichtsuitdrukking, manier van lopen, attitude, et cetera. Kan ik zien wat ‘in’ hen omgaat?

Ik kijk om me heen, en staar – soms iets te lang – naar hoofden aan andere tafels. Hoe zou het zijn om hem te zijn? – hij met dat knotje in zijn lange zwarte haar; zojuist heeft hij een stevige joint gerookt, samen met zijn vrienden; hoe zal hij zich voelen nu? Hoe zou het zijn om haar te zijn? – zij met haar rode jurk en henna-haar, terwijl ze naar haar vriend kijkt, allebei aan de wijn; wat zal zij nu denken?

Wonderlijk, het is stomweg onmogelijk om mij voor te stellen wat ‘in’ hen gebeurt. Lijkt het op wat zich ‘in’ mij afspeelt? Denken ze misschien: wat voor kerel zit daar, biertje bij de hand, peinzend en schrijvend, tussen allemaal toeristen die zich vermaken. Zit hij misschien onderzoek te doen? Onderzoek naar wat? Naar schone schijn en innerlijkheid? Hoe idioot moet je zijn om op een mooie zomernacht als deze daarmee bezig te zijn! En dat ook nog vrijwillig.

Het terras gaat sluiten. Overal nog mensen, rode vitrines, en een gracht met zwanen. Een verre van dode wereld.

Het lukt niet om in het innerlijk van wie dan ook hier binnen te dringen, - hoe zou het ook kunnen? Toch heb ik het idee van sommigen te weten wat zij ongeveer willen of hoe zij zich voelen, afgaand op wat ik waarneem. Klopt het? Kan het überhaupt kloppen? Alsof ik, door zo te focussen op het innerlijk van de ander, plotseling in een wereld verkeer met volstrekt onbekenden…


07 juli 2016

6 juli 2016: Meditatie VI

De dood, die van mij: ben ik er bang voor? Ik zie geen reden. Liever nog niet, en dat is het. Ik maak me drukker over de mogelijke dood van een ander, dan over die van mij.

Doodgaan kan ik niet anders zien dan als een natuurlijk onderdeel van het leven. Alles wat leeft, gaat dood: hoe zou ik het anders kunnen willen? Bacteriën en schimmels zullen zich te goed doen aan wat er van mij over is, nadat ik de laatste adem heb uitgeblazen, - een soort natuurlijke onsterfelijkheid: in de maag van andere levende wezens!

Hopelijk leef ik nog een poosje voort in de herinnering van dierbaren. Op een begraafplaats realiseer ik me dat zij onvermijdelijk tijdelijk zal zijn en uit zal doven. Het leven gaat door zonder de doden, en dat lijkt me niet meer dan gezond.

Al ben ik niet bang voor de dood, wel zou ik het jammer vinden om te sterven. Ik hou van het leven en blijf er nieuwsgierig naar.

Graag zou ik willen dat er zoiets bestond als reïncarnatie: geef mij nog maar een aantal levens! Ik zou willen zien hoe het verder gaat! En eraan meedoen, volop! Enige herinnering aan eerdere levens zou dan mooi zijn. Om ervan te leren en om mee te nemen naar de toekomst. Maar helaas, er is geen enkele aanwijzing voor dat het ook daadwerkelijk gebeurt, behalve als wens.

De reïncarnatie waar we het mee moeten doen is gemeenschappelijk, zij heet ‘beschaving’, - de enige vorm van onsterfelijkheid die het menselijk leven rijk is: een soort collectief geheugen dat zich veruiterlijkt in artefacten, verhalen en praktijken, en dat doorwerkt, en ook groeit, met wat nu gedaan wordt, als een alsmaar groeiende berg, met onderlagen waarop wordt voortgebouwd.

De beschavingsberg groeit niet vanzelf, en hij kan ook inzakken. Evenmin wordt hij slechts gevormd door het ware, het goede en het schone. Neem Europa, de berg die mij het meest vertrouwd is; hij is mijn biotoop. Europa is niet alleen gevormd door Grieks-Romeinse topprestaties, door Christendom, wetenschappelijke vooruitgang en Verlichting, maar ook door Inquisitie, slavernij, Holocaust en andere barbarij. Toch, zij vormen ons collectieve geheugen, een aanwezigheid en een werkzaamheid die mij vormen, of ik het wil of niet.

We kunnen deze erfenis onbewust ondergaan, en we kunnen haar bewust cultiveren en eraan willen bijdragen. Het is de enige onsterfelijkheid die ik de moeite waard acht: niet die van mijzelf, maar die van de beschaving, - als speeltuin in het groot en als Bildungsreservoir voor een menswaardig bestaan.

Heb geen behoefte om te gaan klagen over dreigende ondergang, ook al blijft dat altijd een mogelijkheid. Het lijkt me belangrijker om de beschaving vitaal te houden, met de vraag welke waarden we hoog willen houden en wat we kunnen creëren, om het leven te vieren! Wat is dan nog de dood? – behalve liever nog niet. 

Er zijn dus twee vormen van onsterfelijkheid: een natuurlijke en een culturele, en geen persoonlijke. Ik kan er goed mee leven!

Overigens wordt het voor de culturele onsterfelijkheid langzaamaan van vitaal belang om ook zorg te dragen voor de natuurlijke. Er moeten wel genoeg bacteriën en schimmels in leven blijven om mijn lijk te verorberen en door te geven! En wellicht is het dan slim om ook de rest van de voedselketen mee te nemen: planten, dieren, bomen. Een kwestie van beschaving!

                                                                         *****


Hoe staat het ondertussen met het bovennatuurlijke, God, een hiernamaals, e.d.?
Wel, ik zie geen enkele reden om ervan uit te gaan dat zoiets bestaat, behalve in het rijk van de verbeelding, in de wereld van het alsof. Het zijn wat mij betreft simpelweg irrelevante noties. Ben wel benieuwd wat godgelovigen ervan verwachten; wie weet kunnen we elkaar dan ergens ontmoeten, niet op het niveau van concepten, maar ervaringsmatig. We zijn ten slotte allemaal mensen, deelhebbend aan eenzelfde existentie. Meer denk ik er eigenlijk niet van. Waarom zou ik me druk maken over een irrelevantie?

03 juli 2016

2 juli 2016: Sint Barbara (IV)


Wat drijft me? Met deze vraag ga ik opnieuw naar begraafplaats Sint Barbara. Op zich zou ik me deze vraag niet hoeven te stellen, want ik word er immers reeds door gedreven; waarom zou ik dit dan willen onderzoeken? En waarom met deze vraag naar een begraafplaats?

Wat drijft mij? Al heel lang weet ik mij onrustig, is er onrust in mij, onrust die mij van het een naar het ander drijft, die mij van alles doet onderzoeken, en die ook maakt dat ik bijna nooit tevreden ben. Zal dit ooit ophouden? Ik vraag het me af. En ik weet niet of ik het werkelijk wil. En ook of ik wel zou kunnen willen.

Vaak heb ik wel gezocht naar een blijvende tranquillizer: een inzicht, een activiteit, of een liefde, iets waardoor ik bevrijd zou zijn van die onrust. De wens was er, en soms had het ‘middel’ ook een tijdje die uitwerking, maar vroeg of laat stak dan toch weer de onrust de kop op.

Hoe vaak heb ik niet gewenst dat ik gewoon een vak zou hebben geleerd, met de talenten die ik heb, en dat ik dan een baan zou hebben gezocht, en een aardige vrouw, en dat we een mooie woonplek zouden hebben gevonden, kinderen, een paar leuke hobby’s, af en toe op vakantie, et cetera, en dat ik tevreden zou zijn met dit bestaan.

Als ik een leven zou kunnen overdoen, en ik zou kunnen kiezen hoe het zou zijn, dan zou het ongeveer zo zijn, en in ieder geval zonder de onrust waar ik nu mee behept ben.

Anyway, mijn leven is anders, verloopt anders, en ik zoek er tevreden mee te zijn. Hoe? Niet meer door te proberen aan de onrust te ontkomen, maar door er in te gaan zitten, en er het beste van te maken. Heb niet (meer) het gevoel dat er een wondermiddel bestaat waardoor die onrust zou kunnen ophouden. Behalve de dood wellicht.

Die onrust heb ik al zolang als ik me kan heugen, al voelde het in het begin anders, eerder als nieuwsgierigheid. Ik akan me herinneren dat mijn opa, die drie huizen verderop woonde en bij wie ik als klein jongetje vaak even langs ging, zich er eens zijn verbazing over uitsprak waar ik toch al die vragen vandaan had die ik hem stelde. Hij dacht dat ik ze ergens had gehoord of gelezen, maar nee, ze kwamen uit mijzelf. Ik zat toen nog op de lagere school en had nog geen twijfels bij het geloof, - die kwamen later, als tiener. Wel stelde ik me allemaal vragen die met geloofszaken te maken hadden en met het leven en de wereld in het algemeen.

Het is bijna niet voor te stellen, maar mijn opa was iemand die nog geloofde dat de aarde plat was. En hij geloofde dat omdat het zo in de bijbel stond, volgens hem. Toen in 1969 mensen naar de maan gingen en erop hadden gelopen, geloofde hij niet dat dat waar was. Ik maakte er geen punt van dat hij dit niet geloofde, maar bleef wel met vragen komen.

Werden die vragen ergens door gewekt? Door een tegenstelling tussen geloofswaarheden enerzijds en wetenschappelijk onderzoek en technologische vooruitgang anderzijds, bijvoorbeeld? Zou kunnen dat het een rol speelde, al merkte ik van die tegenstelling nog weinig in mijn dorp van toen. We hadden geen tv, dat scheelde. Het was eerst en vooral nieuwsgierigheid, willen weten hoe het zit. Heeft deze jeugdige nieuwsgierigheid zich getransformeerd in onrust? Niet onmogelijk.

Wat ik in ieder geval weet, is dat ik overweldigd raakte door wat er niet allemaal was in de wereld en wat er zich afspeelde. De deur naar deze grotere wereld was de middelbare school waar ik als beginnende puber naar toe ging, in een groter dorp, op tien kilometer fietsen. Er gebeurde van alles, op het schoolplein en op feestjes: met de blik van een naïeve dorpsjongen keek ik mijn ogen uit.

Die deur ging nog verder open toen ik een jaar later naar een andere middelbare school ging, beter passend bij mijn talenten én bij de wensen van mijn ouders. Deze school stond in Rotterdam, op anderhalf uur fietsen. Al was de school streng religieus en nogal conservatief, de stad was dat niet. Niet alleen was het verschil tussen een christelijk boerendorp en de wereldhaven Rotterdam immens; het was 1970, de revoluties van de jaren '60 grepen om zich heen en werden overal voelbaar, en zeker ook zichtbaar: hippiekleding, lang haar, en hoorbaar: popmuziek.

Hoe ging ik om met deze veranderingen? Eigenlijk niet. Ze maakten me nieuwsgierig en brachten me in de war. En dat gecombineerd met een gezonde dosis eigenwijsheid. Wat nooit is gebeurd, en daar ben ik blij mee, is dat ik ben gaan twijfelen aan mijn eigen waarheidsgevoel. De autoriteit mocht nog zo groot zijn - mijn vader, leraren, de dominee, de bijbel, God - , als ik het gevoel had dat er iets niet klopte, dan ging mijn twijfel voor. Bij spanning tussen mijn waarheidsgevoel en een autoriteit met waarheidsclaims moest de autoriteit het altijd afleggen, of bezuren. (Zo ben ik ook van mijn godsgeloof gevallen, maar dat duurde nog even.)

Gaandeweg mijn puberteit nam de twijfel toe aan de geloofswaarheden die ik met de paplepel binnen had gekregen. De breuk voltrok zich rond mijn vijftiende. Een duidelijk crisismoment dat ik me herinner was als zondagsschoolleraar, of beter: leraartje. Waarschijnlijk omdat ik als beginnende tiener het christelijk geloof nog serieus nam en omdat ik op een bijpassende middelbare school zat, werd ik op mijn dertiende gevraagd om 'leraar' te worden. Kinderen uit een christelijk gezin, en de meeste gezinnen in het dorp waren christelijk, werden op de zondagsschool gedaan. Op de zondagmiddag kreeg je een uur lang 'les', met bijbelverhalen en stichtelijke kleurplaatjes, en de christelijke feesten (met name kerst en pasen) werden uitgebreid voorbereid en gevierd.

Er was kennelijk een tekort aan leerkrachten. In ieder geval werd mij gevraagd om het personeel te komen versterken. 'Leraar' is misschien een te groot woord; nu zou het wellicht 'begeleider' heten. Wat werd ik geacht te doen? Samen met een ander, een oudere 'lerares', was dat: de kleintjes bezig houden, met hen zingen, en de christelijke boodschap presenteren, aan de hand van grote kleurplaten, als ik het me goed herinner. Vond ik het leuk om te doen? Ik herinner me vooral dat ik me (dertienjarig...) herhaaldelijk erg zenuwachtig maakte over hoe het een en ander te doen: een verhaaltje vertellen, samen bidden, et cetera. Van enige didactische begeleiding was geen sprake.

Het heeft niet lang geduurd. Op mijn veertiende begonnen er scheurtjes te komen in mijn toewijding. Ik herinner me welhaast wanhopige pogingen om het vol te houden. Ik bad ervoor tot God, maar vroeg me tegelijkertijd af aan wie of wat dat gebed eigenlijk gericht was. Was ik eigenlijk niet gewoon tegen mezelf aan het praten? - niet erg bevorderlijk voor mijn taak of 'opdracht' als zondagsschoolleraar.

Ik weet niet meer precies hoe er een einde is gekomen aan wat steeds meer op een lijdensweg ging lijken. Waarschijnlijk zagen mijn 'collega's' ook wel dat het me niet helemaal meer lukte en dat de toewijding afnam. In ieder geval was ik op mijn vijftiende niet meer verbonden aan de zondagsschool.

Al snel ging het toen de geheel andere kant op. Het zou nu heten dat ik 'radicaliseerde', niet als gelovige, maar als niet-langer-gelovende. Ik ging nog wel naar de kerk, maar verloor elke affiniteit, en werd gaandeweg een steeds groter lastpak en puberale onruststoker, achterin het kerkgebouw, tijdens de zondagse diensten, samen met enkele andere rebellen, - tot verdriet van mijn ouders, uiteraard, en woede. Op een gegeven moment werd ik zelfs publiekelijk, vanaf de kansel, met naam en toenaam, tot de orde geroepen, vanwege herrie maken, e.d., - een groot contrast met de jongen die enkele jaren eerder in diezelfde kerk als zondagsschoolleraar een kinderkerstfeest had begeleid, in het bijzijn van diezelfde christelijke gemeenschap van het dorp...

Wat dreef mij tot die verandering? Moeilijk te zeggen. Tal van factoren zullen een rol hebben gespeeld.

Lange tijd heb ik de zoektocht die ik sindsdien heb ondernomen, toegeschreven aan de breuk met de opvoeding en het geloof van mijn ouders, uitlopend op weglopen van huis. En niet zonder reden: het voelde zeer lang alsof een 'zwart gat' in mij was geslagen, een existentieel zwart gat. Maar was dit laatste ook de oorzaak van die zoektocht?

En waarom wil ik dit onderzoeken? Omdat ik me ondertussen een gevangene voel van die koppeling.

Stond alles wat ik heb gedaan (met name in kunst, filosofie en ook in de liefde) in het teken van het willen dichten van een ondraaglijk 'zwart gat'? Lange tijd heb ik gedacht dat dit het geval was.

Ik had mij rond mijn 15de zeer sterk voorgenomen om mijn afscheid van het geloof grondig en definitief te laten zijn. Wat ik niet wilde, was wat ik om mij heen zag gebeuren: een jongen (meestal was het een jongen) pleegde rebellie tegen de heersende regeltjes en tegen het vaderlijk gezag, kwam een tijdlang niet meer in de kerk, kreeg op zijn 18de of 19de verkering, en trouwde een poosje later. Waar? In de kerk. Het jeugdige oproer was uitgewoed, en het verloren schaap keerde uiteindelijk terug naar de orde van de geloofsgemeenschap, inclusief kerkbezoek. Eén ding wist ik zeker: dit nooit!

En inderdaad, het volwassenwordingsritueel heeft zich in mijn leven niet op die manier voltrokken. Is hetgeen ik wel gedaan heb een variant daarop? Is het allemaal het gevolg geweest van de breuk met het geloof? Ben ik voornamelijk bezig geweest met het dichten van het existentiële zwarte gat dat toen geslagen is?

Zou kunnen, maar is het het hele verhaal? Terugkijkend en met de vraag 'wat drijft mij': nee. Ik kan ook zeggen dat er een gevoeligheid en een onrust (of nieuwsgierigheid) aan vooraf ging. Niet de breuk was de oorzaak van mijn zoektocht, maar er was reeds een zoeken gaande en een niet-voor-lief-nemen van wat me werd verteld. De breuk met de opvoeding en het geloof van mijn ouders was hiervan het gevolg.

Weliswaar was deze breuk diep ingrijpend (versterkt door het weglopen van huis, op mijn 17de, en alles wat daaruit is voortgekomen), maar dat maakt haar nog niet tot de eerste oorzaak van alles wat volgde. En als zij al een oorzaak was, als één in een serie.

Dat ik de breuk lange tijd wel zag als voornaamste oorzaak, heeft wellicht te maken met de pijn die ermee gepaard ging. Pijn trekt korte lijntjes. Vergelijkbaar met wat er gebeurt bij een kwetsuur: wanneer iemand mij een geweldige dreun op mijn arm geeft, zo fors dat ik hem lange tijd niet kan gebruiken, dan zal ik al tijd bij het ongemak en de pijn denken aan die hufter die mij geslagen heeft. Begrijpelijk, maar is de van die ander de enige oorzaak van mijn pijn? Niet alleen. Er is ook nog iets anders, je zou het de voorwaardelijke oorzaak kunnen noemen: namelijk de gevoeligheid van mijn arm. Was mijn arm ongevoelig geweest, dan zou de klap van de ander geen pijn hebben veroorzaakt. Natuurlijk blijft de klap een belangrijke factor in de totstandkoming van de kwetsuur, maar niet als enige.

Was zoiets ook niet het geval toen ik brak met de opvoeding en het geloof van mijn ouders? Er was een sensibiliteit voor zaken van geloof en waarheid, die maakte dat ik überhaupt gevoelig was voor wat er met mij en om mij heen gebeurde. Waarom zou ik zonder die sensibiliteit er anders een probleem van hebben gemaakt? Hoe zou ik anders de noodzaak hebben kunnen voelen om te breken met mensen die mij in liefde had grootgebracht? Waarom zou ik het anders zo moeilijk maken voor mijzelf? Een gewoon leven, met een redelijke baan, vrouw en kinderen, een leuk huis etc lag meer voor de hand.

Het heeft niet zoveel zin om te wensen dat het anders zou zijn gegaan. Het zou betekenen dat ik een ander persoon had moeten zijn, met een andere sensibiliteit.

Om de vergelijking met de kwetsuur nog verder door te trekken. Stel dat de klap mij voor lange tijd zou hebben uitgeschakeld en stel dat de persoon die mij de kwetsuur had bezorgd geen enkele poging zou ondernemen om het weer goed te maken, geen excuses of iets dergelijks, hoe zou ik daarop reageren? Is de kans dan niet groot dat ik al die tijd mijn pijn en ongemak zou verbinden aan de dader? Het is zelfs mogelijk dat ik wrok of haat tegen die persoon zou ontwikkelen. Hoe dat niet te laten gebeuren?

Op de een of andere manier zou ik ervoor moeten zorgen dat ik de gevolgen niet onmiddellijk en uitsluitend zou koppelen aan de dader die ik erom zou verafschuwen. Wellicht zou het helpen wanneer ik niet langer van maar één oorzaak uit zou gaan, maar er (minstens) twee zou onderscheiden: de klap van de ander en mijn gevoeligheid ervoor. De pijn en het ongemak zouden er misschien niet minder door worden, maar ik zou er wel op een andere manier last van hebben. Het onderscheid zou me in staat stellen tot een ontkoppeling waar ik zelf baat bij zou hebben: niet meer onmiddellijk vastzitten aan de dader; hem kunnen loslaten en me verder bezig houden met het verhelpen van mijn pijn en ongemak, zonder nog vast te zitten aan iets waar ik verder geen invloed op heb, - er even van uitgaande (ten behoeve van het gedachte-experiment) dat degene die mij de ellende heeft bezorgd ofwel geen excuses wil maken, ofwel zich van geen kwaad bewust is. Het zou mijn situatie verlichten, en het zou voorkomen dat ik wrok tegen de dader zou ontwikkelen, - iets waardoor ik nog meer last, onnodig meer last, zou ondervinden van wat er is gebeurd.

Vertaald naar de breuk met opvoeding en geloof: in plaats van levenslang vast te blijven zitten aan die breuk en de pijn die zij heeft veroorzaakt, bij mijzelf en bij mijn ouders, kan ik ook onderscheid maken tussen de pijnlijke breuk enerzijds en mijn gevoeligheid (en talent) voor zaken van geloof en de waarheidsvraag anderzijds.



[wordt vervolgd]

29 juni 2016

28 juni 2016: Sint Barbara (III)


Lange tijd reeds intrigeert me een tijdsopvatting die ik associeer met Zen: er is slechts het nu, en het is ook het enige wat telt. Verleden noch toekomst bestaan, behalve in het bewustzijn, als herinnering of als projectie; ook zij gebeuren in het nu. Er is wat zich op dit moment voordoet; iets anders is er niet. Deze tijdsopvatting ken ik uit teksten van boeddhologen als Alan Watts (zie noot). Bij Zen-meesters ben ik geen uitspraken over de tijd tegengekomen; wel verhalen en anekdotes over met aandacht leven in het hier en nu.

Met dat ik me aangetrokken voel tot deze visie op tijd, is er ook telkens een aarzeling, en die zit ik hier op de begraafplaats Sint Barbara te overdenken, te midden van mensen voor wie er geen nu meer bestaat.

Okay, het klinkt uitermate overtuigend dat het er om gaat met volle aandacht te doen wat ik doe, te voelen wat ik voel, te laten gebeuren wat er gebeurt, - in plaats van er niet bij te zijn, te leven met verstrooide aandacht, druk met van alles tegelijkertijd, zonder iets in het bijzonder. Ik doe mijn best om zoveel mogelijk zo te leven dat ik hetgeen ik doe etc de volle aandacht kan geven. Wat is dat anders dan 'gefocust' leven, 'gewaar', 'intens', 'enthousiast', 'in een flow' etc!

De vraag is: is dat alles? Is er slechts het nu dat telt? Zijn verleden en toekomst niet meer dan een illusie die mij afhouden van voluit leven in het hier en nu?

Is het niet eerder andersom? Wat ik nu beleef is ingebed in een besef van verleden en een verwachting van toekomst, en het krijgt daardoor ook zijn betekenis. Die inbedding doet er toe voor hoe ik het nu beleef. M.a.w. zijn verleden en toekomst niet nodig om überhaupt een heden te kunnen beleven? Als mijn tijdsbesef zou worden teruggebracht tot wat op dit moment beleef (zoals het geval is bij vergevorderde dementie), wat beleef ik dan nog?

Ik beleef dan nog wel het een en ander, maar het wordt niet tot een ervaring. Wat is nodig om van een 'ervaring' te spreken?

Dat ik vanochtend heb ontbeten voordat ik hem school bracht, was een beleving, maar ik zal het me niet lang herinneren. Wel maakt het deel uit van een voortgaande ervaring. Van mijn ervaring als ouder, van vader te zijn van mijn kind, - een langgerekte ervaring van met hem te zijn, vanaf zijn geboorte, en eigenlijk al ervoor. Van deze ervaring is het ontbijten vanochtend een onderdeel. Het versterkt die ervaring, actualiseert haar weer. Mocht ik zwaar dement worden, dan zou die ervaring wegvallen, en een ontbijt met hem zou een heel andere betekenis krijgen, - als het überhaupt nog een betekenis zou hebben...

Het lijkt erop dat een beleving die niet ingebed raakt in een verleden en een toekomst 'slechts' een belevenis blijft, en niet tot een ervaring wordt, tot een gebeuren dat er toe doet in mijn leven. Zo ongeveer als een willekeurige one-night-stand. Dagelijks beleef ik veel, maar weinig ervan blijft hangen. Ervaring heeft een geheugen, werkt uit in de toekomst, en heeft betekenis in mijn leven. Ervaring strekt zich uit in de tijd, mijn tijd.

Ik zit temidden van graven. Wat is er gebeurd met de ervaringen van degenen die hier liggen begraven? Op de grafstenen staan een naam en data, en de nabestaanden hebben er iets in laten beitelen, meestal zoals ze zich de overledene willen herinneren. Leven de doden nog voort in de ervaring van anderen?

Weinigen van de doden die ik heb gekend zijn nog levendig aanwezig in mijn herinnering. Hoe vaak denk ik nog aan mijn gestorven grootouders? Ik heb het geluk dat mijn ervaring met familie en vrienden nog vrijwel ongebroken is; bijna niemand is 'voortijdig' doodgegaan. (Is herinnering een emotionele affaire?)

Wat mij bezig houdt is de werking van ervaringen. Wat is hun belang voor de ervaring van zin?

Tot voor kort heb ik mijn ervaringen nauwelijks bewust gecultiveerd. Zij gebeurden, zetten zich voort, zich voedend met nieuwe belevenissen, of niet, en hielden op, of werden afgebroken. Bijvoorbeeld omdat zich iets anders voordeed, of omdat ik me (gemakkelijk of niet) liet afleiden. Ik ben nu bezig om een aantal ervaringen bewust voort te zetten, dan wel af te ronden. De uitdrukking 'een leven leiden (in plaats van geleefd worden)' heeft er voor mij een nieuwe betekenis bij gekregen: ik wil meester worden van mijn ervaringen, in de zin dat ik het niet aan het toeval wil overlaten of zij worden voortgezet dan wel afgebroken.

Natuurlijk heb ik niet in de hand wat er gebeurt, maar ik kan wel mijn aandeel erin bewust ter hand nemen. En ook wanneer een situatie ingrijpend verandert, dan is het aan mij wat ik er verder mee doe, en wat het betekent voor de openstaande ervaringen. Ook herinneren en gedenken zijn onderdeel van het ervaren.

Wat is een leven anders, of meer, dan de ervaringen die iemand erin opdoet? Maken zij een leven zinvol, voor de persoon zelf?

[...]

23 juni 2016

22 juni 2016: Sint Barbara (II)


Vandaag wederom naar begraafplaats Sint Barbara. Gisteren werd ik zo in beslag genomen door de plek en door de graven die ik er zag, dat ik nauwelijks toekwam aan enige contemplatie.

Heb de boeddhistische teksten opgezocht waarin sprake is van het knekelveld als plek voor contemplatie op vergankelijkheid, wat voor mij aanleiding was om de begraafplaats te bezoeken. Al speurend kwam ik op de Mahasatipatthana Soetra, waarin het lichaam wordt voorgesteld als een 'zak met ingrediënten'.

Het blijft een vreemde ervaringswereld waarmee ik zo in aanraking kom, ook al ben ik reeds vele jaren vertrouwd met meditatie en is het boeddhistisch gedachtegoed mij redelijk bekend. Met name uit de oude teksten, uit de begintijd van het Boeddhisme, spreekt een kijk op het leven waar ik niet onmiddellijk sympathie voor heb.

Een overgeleverde uitspraak van de Boeddha zegt bijvoorbeeld het volgende:
‘Dit is vredig, dit is verheven, namelijk het tot rust komen van alle drijfveren, het verzaken van alle bezit, de vernietiging van de begeerte, passieloosheid, ophouden, nirvana.’
En: ‘Alle geneugten dienen vermeden te worden om de andere oever (nirvana) te bereiken.’
Klinkt nogal ascetisch, - althans, zo komt het op mij over.

En wat te denken van de volgende uitspraak?
‘En verder beschouwt een monnik dit lichaam zoals hij zou kijken naar een lijk dat op een knekelveld is geworpen, één dag dood, twee dagen dood of drie dagen dood, opgezwollen, donkerblauw geworden, in staat van ontbinding: “Dit lichaam van mij wacht hetzelfde lot, het zal net zo worden, het kan dat lot niet ontlopen.”’
Vanwaar die vijandigheid jegens het lichaam? Of lees ik het verkeerd?

Laat ik er eens naar kijken op de begraafplaats. Misschien begrijp ik het dan anders.

                                                            *****


Het denken op locatie blijft mij verrassen, evenals het zich verplaatsende denken, - zo anders dan wanneer ik thuis achter mijn computer blijf zitten, in een vertrouwde omgeving, waar alles ongeveer is zoals ik het wil hebben en die mij verder geen vragen stelt. Wandelen zet het denken in beweging, maar niet te snel. Langzaam denken, op het ritme van mijn voetstappen.

Op elk moment kan ik de pas inhouden, even gaan zitten om een aantekening te maken, of een onbekend pad inslaan, zoals ook denken betaamt. Wandelend is denken een mogelijkheid. Ik kan om mij heen kijken, bij iets stilstaan, een foto maken. Teruglopen zelfs, om nog eens beter te kijken. Soms piept er een dichtregel tevoorschijn, of een geweldige formulering die ik niet kan laten lopen.

Wandelen maakt dat ik niet altijd hoef te denken. Wanneer het beter is om een gedachte even te laten rusten, is er meestal meer dan genoeg om aandacht te geven. En er is altijd nog de lucht en de wolken. Ruimte.

Dit onderzoek ben ik niet aan het doen om mijn opvattingen te bevestigen, maar juist om ze uit te dagen en aan herziening te onderwerpen. Denken, in plaats van eerdere gedachten te reproduceren: dat is mijn inzet. Ongemakkelijkheid en verwarring zijn dus welkom.

Iets anders is de tijd die het vergt om werkelijk te denken, met de bereidheid nieuwe wegen te gaan, en dat ook doen. Met te weinig tijd is de neiging groot om terug te vallen op wat ik eerder gedacht heb. Gelukkig heb ik nu weer denktijd, tijd om me overhoop te laten schoppen door het onverwachte.

                                                            *****


Op een bankje in het zonbeschenen Sint Barbara lees ik opnieuw een tekst die me bij eerste lezing frappeerde:
"Juist zoals, monniken, er een zak zou zijn met twee openingen, gevuld met graan van verschillende soorten, namelijk: heuvelrijst, rijst van het laagland, bonen, tuinbonen, sesamzaad, gepelde rijst; en een man met ogen die goed zien, zou, nadat hij de zak losgemaakt heeft, denken: 'Dit is heuvelrijst; dit is rijst van het laagland; dit zijn bonen; dit zijn tuinbonen; dit is sesamzaad; dit is gepelde rijst.' Op dezelfde manier, monniken, beschouwt een monnik dit lichaam dat slechts gehuld is in een huid en vol met veel onreinheden is vanaf de voetzolen naar boven, en vanaf het haar op het hoofd naar beneden, en denkt hij: 'Er is in en aan dit lichaam haar van het hoofd, haar van het lichaam, nagels, tanden, huid, vlees, zenuwen, botten, merg, nieren, hart, lever, middenrif, milt, longen, dikke darmen, dunne darmen, de inhoud van de maag, ontlasting, gal, slijm, etter, bloed, zweet, vet, tranen, lymfe, speeksel, snot, gewrichtssmeer, en urine.'"

Ik realiseer me dat ik er eerder teveel in heb gelezen. Hij gaat niet over mij als mens, maar over mijn lichaam. En dan is het minder vreemd. De beschrijving biedt een manier om mijzelf als samengesteld geheel uiteen te leggen, en een deel ervan is mijn lichaam (naast gevoelens en gedachten, bijvoorbeeld), zoals dat weer is samengesteld uit organen, en deze zijn vergankelijk.

Van de lijken die hier liggen begraven zullen ondertussen de meeste organen zijn verteerd. Ineengeschrompeld. Opgegeten door bacteriën. Weg, op wat botten na. Ik had zo nog niet naar de graven gekeken. De zerken liggen er om een nagedachtenis op te richten, iets dat wil blijven. Zij willen een herinnering levend houden, en onttrekken de vergankelijkheid aan het zicht. De lichamen die deelnamen aan de weelde van het leven zijn niet meer. Dat zal dus ooit ook met het mijne gebeuren.

‘Het lichaam beschouwen als een lichaam’: heeft dat zin?
"Op deze wijze beschouwt hij intern het lichaam als een lichaam, of hij beschouwt extern het lichaam als een lichaam, of hij beschouwt zowel intern als extern het lichaam als een lichaam. Hij beschouwt het opkomen van dingen omtrent het lichaam; hij beschouwt het vergaan van dingen omtrent het lichaam; of hij beschouwt het opkomen én het vergaan van dingen omtrent het lichaam."

Ja, wat bedekken de grafstenen die ik hier zie? Zij bedekken de vergankelijkheid van het lichaam.

In dit besef loop ik opnieuw langs de graven. En ik kan het niet ontkennen: ook mijn lichaam loopt er langs, als een zak vol organen en botten.

Het meest ontroert me de graven met (erg) jong gestorvenen. Ik wil er niet aan denken.

                                                            *****


Er is een begrafenis vandaag. De klok van de kapel slaat monotoon, enkele minuten lang. Een lange grijze auto rijdt voor. Ik zie mensen in zwart kostuum naar binnen gaan. Anderen volgen, fleuriger gekleed. Na een kwartier of twintig minuten opnieuw gebeier. Een stoet van een kleine honderd mensen loopt achter de kist naar een open plek. Enkele toespraakjes. Veel bloemen. Nog een drankje. En dat was het weer.

                                                            *****


Ondertussen ben ik een nieuwe opruimactie begonnen! Gisteren heeft een stapel boeken elders onderdak gekregen, onder andere in een straatbibliotheekje, hier in de buurt. Een pakket tijdschriften en bijlagen die lagen te wachten om te worden uitgezocht heb ik zonder pardon in de papiercontainer gestort. Het blijkt goed te doen. Gewoon beginnen.

22 juni 2016

21 juni 2016: Sint Barbara


Ben op weg naar de Sint Barbara begraafplaats, op enkele minuten lopen van mijn huis. Met enigszins verzwaarde tred. Ik bezoek niet zo vaak begraafplaatsen, en meestal is het om een treurige reden.

Dat ik nu naar een begraafplaats ga heeft niet per se met de dood te maken, al is de associatie onmiskenbaar en de plek bewust gezocht. Het plan viel me vorige week in, nadat ik in een filosofiegroepje een avond lang hadden nagedacht over ‘onthechting’, in het boeddhistisch centrum waar ik wekelijks mediteer.

Tijdens de voorbereiding was ik een tekst tegengekomen over het knekelveld, als aangewezen plek om zich te bezinnen op onthechting. In eerste instantie vond ik het een nogal bizarre locatie voor een dergelijke contemplatie, maar toen ik aan het idee gewend raakte, leek het me goed om het eens uit te proberen. Inderdaad, waar is de vergankelijkheid meer voelbaar dan op een begraafplaats? En wat is een betere aansporing tot onthechting dan het besef dat alles vergankelijk is?

Vanwege werkzaamheden en andere drukte moest ik de uitvoering van het plan een week uitstellen. Ondertussen heeft het idee zich verrijkt met andere zaken die minstens zo belangrijk zijn als onthechting.

In een boekbespreking, afgelopen week, kwam het gesprek op liefde en hoe zij zich verhoudt tot willen en begeerte. Liefde bloeit op voorbij begeerte. Wanneer de wil tot rust is gekomen, is het mogelijk om iemand (of iets) te aanvaarden zoals de ander is. Hoe het gesprek precies verliep, weet ik niet meer; dit bleef hangen, en sudderde voort.

Om het nog complexer te maken, verbonden de denkbewegingen over vergankelijkheid en liefde zich met nog een ander thema, namelijk vertrouwen. De afgelopen tijd had ik verschillende keren ingebracht in discussies over ‘geloof’. Wel of niet geloven: het loopt meestal uit op hopeloos geharrewar. Zo’n discussie levert niets op, zolang je ‘geloof’ niet opvat als ‘vertrouwen’ (naar het Griekse ‘pistis’ waar beide woorden een vertaling van zijn). De enige zinvolle vraag in een discussie over geloof is wat mij betreft de vraag: in wie of wat stel je je vertrouwen? En dan vertrouwen opgevat als basisvertrouwen, wat verder gaat dan het alledaagse vertrouwen.

En inderdaad: in wie of wat stel ik mijn vertrouwen? In mijn wereldbeeld komt geen God voor, noch enig andere bovennatuurlijke grootheid. Waarin dan mijn basisvertrouwen te stellen? In mensen? In geliefden? In de wereld? Al deze kandidaten zijn allerminst perfect, en slechts tot op zekere hoogte betrouwbaar. Hoe zou ik er mijn vertrouwen in kunnen stellen?

In wie of wat dan? In het bestaan? Zo gesteld een weinig zeggende abstractie. In de natuur? Ik weet genoeg van evolutie, van biologie en van de beschaving en haar geschiedenis (als de menselijke vorm van natuur) om te beseffen dat de natuur weliswaar groots is, maar niet de bedoeling heeft om het mensen naar de zin te maken en bestaanszekerheid te verschaffen (mocht je dat van vertrouwen verwachten), en wel omdat de natuur geen bedoeling kent. Alles gebeurt zoals het gebeurt, en that’s it. Het kan voor mensen gunstig uitvallen, maar ook niet. Als ik een ongeluk krijg, tegenslag ervaar of doodga, dan is dat niet tegen de bedoeling van de natuur, noch is het dat juist wel. Zij, de natuur, heeft simpelweg geen bedoeling met mensen, noch met mijn leven. Als door een bizarre omstandigheid opeens de maan uit haar baan zou geraken en op de aarde zou neerstorten, met algehele vernietiging tot gevolg, dan is ‘bedoeling’ niet aan de orde. Wanneer er een einde komt aan het aardse bestaan, dan is dat om niet.

Hoe dan te vertrouwen? Is er wel iets waarin ik mijn vertrouwen kan stellen? Of is angst dan toch belangrijker, met de dood als angstwekkende zekerheid? – iets wat ik altijd heb ontkend, maar wat als er geen basis is voor vertrouwen?

Zoals gezegd sudderde het een en ander. Enkele dagen geleden viel mij in: wat als vertrouwen niet is, maar ontstaat? Wat als vertrouwen niet een eigenschap is van iets of iemand waarop je kunt bouwen of steunen (zoals een vader die te vertrouwen is), maar de uitkomst is van een proces? Hoe? Waarin ontstaat het dan? In liefde! Hoe ‘gebeurt’ liefde, wanneer heb je lief? Voorbij willen en begeren, wanneer je in staat bent om te zien hoe iets of iemand werkelijk is, in aanvaarding, ja omarming. En wat is een ander woord voor dit ‘voorbij’? Onthechting!

Het plaatje was rond, en dat is verdacht, uiteraard. Wanneer iets zo mooi klopt, klopt er waarschijnlijk iets niet... Bovendien, het is nog maar een vermoeden. Uitwerking ontbreekt. Mooi bedacht, maar wat is er van aan?

Wat me wel duidelijk is geworden, is dat als vertrouwen, liefde, aanvaarding en onthechting samenhangen, dat dat dan ruimer gaat dan aandacht voor daden.

Door op daden te focussen en hen erop af te rekenen, heb ik vaak teveel verwacht van medemensen, en met name van geliefden. Alsof zij perfect te vertrouwen zouden kunnen zijn, - hetgeen een absurde verwachting is; ik ben immers zelf ook niet perfect te vertrouwen, zeker als het aankomt op mijn daden. Waarom van medemensen verwachten wat ik van mezelf niet kan verwachten?

Hetzelfde geldt voor de wereld. Wat is dat voor een grootheid? Als de wereld bestaat uit mensen, en als geen enkele mens perfect te vertrouwen is, hoe zou de wereld dat dan kunnen zijn?

Er valt nog het een en ander te onderzoeken!
Hoe?

                                                            *****

Hoe heb ik zulke dwaze verwachtingen kunnen hebben? Hoe komt het dat ik ze nu pas onder ogen zie? Hoe heb ik zo lang kunnen wensdenken over liefde en vertrouwen zonder er serieus naar te kijken? Komt het misschien doordat ik ooit heb gebroken? Heb ik mijzelf ooit afgesneden van liefde en vertrouwen in grootse zin doordat ik brak met de opvoeding en het geloof van mijn ouders? Leek hetgeen ik zocht en nodig had teveel op wat ik had afgewezen waardoor ik er van wegbleef?

                                                            *****

Bijzondere rust altijd op een begraafplaats, ook al zijn er bezoekers zoals nu.
Er ligt hier niemand die ik persoonlijk heb gekend.

                                                            *****

R.I.P.

Praalgraven
Sobere graven
Speelse graven
Marmeren graven
Verdrietig makende graven
Kale graven
Graven met een foto
Verwaarloosde graven
Graven met bloemstukken
Graven met poppen en ander speelgoed
Graven met plechtige teksten
Protserige graven
Lege graven
Graven met dezelfde voornaam als de mijne
Oud geworden graven
Graven van jonge kinderen
Familiegraven
Een priestergraf
Een moedergraf
Een graf met geliefden kort na elkaar
Eenzame graven
‘Voor altijd in ons hart’ graven
‘Wel dood maar niet vergeten’ graven
Een ‘Do not cry at my grave, I am not there’ graf
Gebroken graven
Een ‘Dag lieve pap’ graf
Te jong gestorven graven
Graven met een brandende kaars
Graven voor doden die elkaar weerzien
Graven met een Jezus
Graven met een Boeddha
Een Shalom graf
Graven onder hoge bomen
Graven in de open lucht
Graven achter een heg
Graven voor 'onbekende overledenen', ook
Allemaal een graf

Wanneer zal ik hier liggen?
Of wat er dan van me over is