22 juli 2016

21 juli 2016

Een ruwe versie van onderstaand stuk heb ik thuis geschreven. Toch, er moet buitenwind doorheen. In mijn werkruimte thuis kan van alles broeden, maar er mist omgevingsdynamiek: te vertrouwd, geen interactie, nergens verontrusting, hooguit teveel in mijzelf. Eruit! Het voelt als naar mijn werk gaan, met de wereld als werkplek! Zelfs het erheen gaan, het liefst wandelend, brengt al beweging in mijn denken.

Ik zit nu bij de Buurtboerderij: een aangename plek, niet ver van waar ik woon, met uitzicht op riet, weilanden met schapen en paarden, en de bomenhaag van de begraafplaats waar ik een aantal keren ben geweest om het een en ander te overpeinzen. Het is moeilijk om je voor te stellen dat dit deel van Amsterdam is, en niet eens aan de rand, maar net buiten het centrum. Het is een heuse boerderij die nu in gebruik is als low key ruimte voor allerhande activiteiten, inclusief restaurant en koffiehuis. Er is ook een weggeefwinkel. Ik heb er zojuist weer een stapeltje boeken en kleding achtergelaten.

Het is druk bij de Buurtboerderij. Een grote groep demente bejaarden zit in het zonnetje te genieten van een pannenkoek, met begeleiders die hun best doen om het gezellig te maken.

Het doet me denken aan mijn eerste activiteit als dienstweigeraar. Ik werd tewerkgesteld in een tehuis voor dementerende ouderen en voor ouder wordende mensen ‘met een beperking’, zoals dat tegenwoordig heet. Langer dan vijf-en-halve maand heb ik het er niet volgehouden. Met groeiend respect voor de collega-verpleegkundigen kwam ik er achter dat ik niet geschikt was voor het werk. Als begin twintiger was de confrontatie met menselijk verval te groot. Soms leek het alsof ik mijn oma aan het wassen was, terwijl ik haar nog nooit anders had gezien dan in een zwarte jurk. Helaas, in een verzorgingshuis voor dementerende ouderen is er hooguit sprake van tijdelijke stabilisering. Normaal gesproken gingen de mensen die wij verzorgden alleen maar achteruit, in het ergste geval eindigend als een ‘plant’, zoals we hen oneerbiedig noemden. Het enige dat deze mannen en vrouwen nog bewogen was hun mond, en dat alleen wanneer er een lepel of vork met eten tegenaan werd gehouden.

                                                                          *****


Soms gebeurt het dat allerlei lijntjes bij elkaar komen en met elkaar een vruchtbare kortsluiting maken, waardoor er onverwacht een kwalitatieve sprong wordt gemaakt. Hetzelfde ziet er plotsklaps geheel anders uit. Dat overkwam me de afgelopen week. Het heeft verwerkingstijd nodig, alsof er tal van nieuwe verbindingen dienen te worden aangemaakt.

Al langere tijd zit ik te broeden op de vraag hoe filosofie weer tot wijsbegeerte kan worden; hoe deze wijsbegeerte, gecombineerd met andere interesses, tot levensvorm kan worden; en wat oefeningen zouden kunnen zijn om deze levensvorm gestalte te geven, te actualiseren. (Voor ‘levensvorm’ zou je ook het woord ‘levenskunst’ kunnen bezigen, maar hierover later.)

Wat betreft filosofie als wijsbegeerte, kun je het ook anders zeggen: hoe kan de innige band tussen filosofie en levenskunst weer worden hersteld (zoals die ooit bestond bij Griekse en Romeinse filosofen)? Hoe kan filosofie weer worden tot een manier van leven? En zoals filosofen in de Oudheid er oefeningen op na hielden om hun manier van leven te onderhouden, welke oefeningen zouden wij dan nu kunnen ontwikkelen, met het oog op een hedendaagse levenskunst? (Wanneer je levenskunst opvat als ‘seculiere spiritualiteit’ – zoals ik doe - , dan zou je de gezochte oefeningen dus ook ‘spirituele oefeningen’ kunnen noemen.)

Of nog weer anders gezegd: hoe kan de beoefening van filosofie weer existentieel relevant worden? Hoe filosofisch opnieuw aan de slag te gaan met de vraag ‘hoe te leven’ en ‘hoe samen te leven’, niet als ‘interessante’ research-item, maar als kwestie die je persoonlijk aangaat?

Aangezien ik ook een sterke affiniteit voel met kunst en politiek, vraag ik mij af hoe de drie (filosofie, kunst en politiek) elkaar kunnen versterken. De grootste nadruk heeft de afgelopen jaren gelegen op filosofie, maar ook de andere twee steken telkens weer de kop op. Hoe hen te integreren? Hoe vorm te geven aan een gecombineerde interesse in filosofie (opgevat als wijsbegeerte), kunst (als een vieren van het leven in creativiteit) en politiek (als engagement met het oog op een wereld met toekomst)?

Existentiële kwesties onderzoek ik reeds jaren, ten eerste voor mijzelf, ter vormgeving van mijn eigen levenskunst, en vervolgens ook door het onderzoek te gieten in de vorm van een workshop of cursus, zodat ook anderen er hun voordeel mee kunnen doen. Ook met kunst heb ik een geschiedenis, in verschillende étappes. Hetzelfde geldt voor politiek. Kunnen zij samen worden gebracht, met elkaar verweven, in plaats van een apart leven te leiden?

De verschillende interesses heb ik lange tijd naast elkaar in praktijk gebracht, in diverse activiteiten, soms elkaar overlappend, meestal los van elkaar. Hoe dit alles samenvattend te noemen? Leven en werken als een politiek geëngageerde filosoof-kunstenaar? Enigszins ingewikkeld. Is integratie mogelijk?

Op deze vragen heb ik nog geen antwoord. Wel lijkt een herschikking zinvol, door een onderscheid te maken tussen aandacht voor mijn levenshouding enerzijds en mijn werk anderzijds.

Ik realiseer me dat in filosofie beide nogal eens door elkaar lopen. Bij wijsgerige aandacht voor levenshouding horen andere activiteiten dan bij filosofie als werk. De eerste betreffen vooral activiteiten die je kunt samenpakken onder de noemer ‘zorg voor het zelf’; bij filosofie als werk gaat het om iets dat persoonlijke relevantie overstijgt. (Waar het op elkaar gaat lijken, is wanneer ‘filosofie als werk’ gericht is op het aanzetten tot ‘zorg voor het zelf’ bij deelnemers aan een workshop, bijvoorbeeld.)

Door mijn activiteiten op deze manier te onderscheiden wordt het mogelijk om ze apart aandacht te geven, en ook om er andere verwachtingen van te hebben.

Over filosofie als werk kan ik nu nog weinig zeggen. Te meer daar ik dat zou willen integreren met twee andere interesses, namelijk kunst en politiek. Wat me nu wel duidelijker aan het worden is, is de wijsgerige zorg voor het zelf. Oftewel: aandacht voor levenshouding.

Aan de basis van wat ik ook onderneem ligt een levenshouding. Aandacht hiervoor heb ik lange tijd beschouwd als een zaak van ‘levenskunst’, - zoals gezegd, een thematiek die reeds in de Grieks-Romeinse oudheid door filosofen werd gezien als een hoofdonderwerp. Wat is kunstwerk van levenskunst? De eigen levenshouding!

Jarenlang heb ik met plezier onderzoek gedaan naar filosofie van de levenskunst, rond de vraag ‘hoe te leven’, telkens vanuit een andere invalshoek. Ook bracht ik praktische vormen van filosofie in verband met levenskunst. Waartoe zou ik zo’n praktische vorm, het socratisch gesprek bijvoorbeeld, beoefenen? Ter bevordering van levenskunst!

Mijn enthousiasme is echter afgenomen. Al geruime tijd stoor ik mij aan de inflatie die ‘levenskunst’ ondergaat. Alles waarmee je het leven een beetje kunt opleuken krijgt tegenwoordig het label ‘levenskunst’. Je hoeft er lifestyle magazines maar voor op na te slaan. Een mooie tafelschikking of een aangenaam interieur kan al in aanmerking komen. Dat geldt ook voor zelfhulptechniekjes en voor adviezen (die dan natuurlijk geen ‘adviezen’ mogen heten) om het leven ‘mooi’ te maken.

Een nieuwe mode in ‘levenskunst’ is de filosofische snack: een socratisch gesprek van een uur; een middagje praten waarin je kunt leren hoe beter te communiceren, hoe een betere vriend te zijn, hoe de gepaste verwachtingen te hebben van de liefde, etc, en dat alles met een filosofisch sausje. Tja, wat komt niet in aanmerking voor ‘levenskunst’!?

Maar goed, wat stoort mij daar nu eigenlijk aan?

Eén bezwaar is de oppervlakkigheid. De snelle hap. Een shot ‘wijsheid’. Een quick-fix zonder werkelijk effect. Zoals je met make-up een ongezonde levensstijl kunt proberen te verbloemen, terwijl dat niets verandert aan de levensstijl. Levenskunst gaat wat mij betreft dieper dan gesleutel aan de buitenkant.

Een ander bezwaar is politiek. In de populair ‘filosofische’ aandacht voor levenskunst gaat vrijwel alle aandacht naar het persoonlijke welzijn, eventueel aangevuld met geliefde, vrienden en collega’s. Een kritische blik op de cultureel-maatschappelijke omstandigheden komt zelden voor; zij blijven ongedacht, - een ernstige omissie, zeker nu, in deze tijden van grote veranderingen.

‘Levenskunst’ blijft een mooi woord, maar wekt steeds vaker de verkeerde associaties, helaas. Een woord waar ik nu meer mee kan is ‘levensvorm’.  ‘Levensvorm’ associeert met vormgeven, in vorm blijven, een vorm oefenen. Zij associeert ook met inhoud, als iets dat niet per se samenvalt met de vorm. Een vorm past meerdere inhouden. In een vorm kan veel gebeuren. Je kunt een vorm oefenen ook al ben je er even niet bij.

Vraag is nu: hoe een wijsgerige levenshouding te cultiveren? Hoe ziet zo’n levensvorm eruit? Wat voor praktijken zouden vorm kunnen geven aan een wijsgerige levenshouding?

De praktijken waar ik aan moet denken bij deze vragen, ter vergelijking, zijn martiale kunsten (zoals tai chi). De vorm is daarin belangrijk. Het doen van de ‘vorm’, bestaande uit een aantal vaste bewegingen. Het is in het doen van de vorm dat je je ‘spiritueel’ kunt oefenen, waardoor het meer wordt dan louter een lichamelijke oefening.

Omdat mijn interesses sterk filosofisch gekleurd zijn, vraag ik me al geruime tijd af wat het wijsgerige equivalent zou kunnen zijn van martiale oefeningen. Ik kon mij slecht voorstellen dat het om even ‘vaste’ vormen zou gaan als de reeks bewegingen in tai chi, bijvoorbeeld.

Afgelopen week realiseerde ik me plotseling, alsof het eindelijk tot me doordrong, dat het onderzoek waar ik nu mee bezig ben in feite een van de vormen is waarin ik mijn wijsgerige levensvorm oefen. Het onderzoek dat reeds een half jaar loopt, en waar dit Logboek onderdeel van is, is niet zomaar een verwerking van ingrijpende gebeurtenissen in mijn leven; het is een oefening in de levensvorm die mij op dit moment het beste past, en dat is een wijsgerige levensvorm.

Er zijn andere oefeningen waarin ik mijn levensvorm cultiveer. Dagboek schrijven is voor mij reeds heel lang zo’n oefening. Dat geldt ook voor praktische vormen van filosofie, zoals socratisch gesprek, filosofisch café en leesgroepen, en dan met name wanneer ik niet slechts facilitator ben, maar mijzelf betrokken weet in het onderzoek, van actieve deelname tot en met zwijgend meedenken: ook deze praktische vormen van filosofie ervaar ik als een oefening.

Daarnaast beoefen ik reeds vele jaren zitmeditatie. Hierin heeft niet wat ik denk de aandacht, maar dat ik denk, - een welkome manier om alert te blijven op de mogelijkheid mij te verliezen in verabsoluteringen. We zijn meer dan we denken, en ook de werkelijkheid valt niet samen met wat wij van haar denken.

Deze oefeningen zijn voor mij dus niet nieuw. Evenmin is voor mij nieuw dat zij opgevat kunnen worden als oefeningen in (mijn) levenskunst. Wat is dan wel nieuw? – voor mij althans. Het lijkt te zitten in de conceptuele verschuiving van ‘levenskunst’ naar ‘levensvorm’. Soms kan een ander woord nieuwe mogelijkheden ontsluiten, terwijl een eerder woord deed blokkeren.

Zoals gezegd zou ik een levensvorm willen cultiveren die aan de basis ligt van meerdere interesses en activiteiten: filosofie, kunst en politiek. Hoe kan ik mij in mijn levensvorm hierop afstemmen? Kan deze levensvorm misschien helpen om die verschillende interesses te integreren? En ook: is een louter wijsgerige levensvorm dan wel passend?

Een andere vraag: als het klopt dat het nu lopende onderzoek, waar dit Logboek onderdeel van is, beschouwd kan worden als een vorm waarin ik mij oefen in mijn wijsgerige levensvorm, hoe dan? Wat draagt het bij aan mijn levenshouding?

Het zijn vragen waar ik nog slechts een vermoeden bij heb. Is ‘levensvorm’ überhaupt een zinvol concept? Is het wel nodig om een levensvorm te cultiveren? Laat ik er een hypothese van maken, en laat ik deze de komende tijd gaan onderzoeken en toetsen op houdbaarheid. Ben benieuwd hoe vruchtbaar het concept ‘levensvorm’ in de praktijk zal blijken te zijn.

Wat ga ik onderzoeken?
. Of het onderscheid tussen levenshouding en werk zinvol is;
. Of levensvorm een zinvol concept is ter cultivering van levenshouding;
. Wat een wijsgerige levensvorm te betekenen heeft en hoe zij zou kunnen worden geoefend; vraag: wat vermag filosofie? 
. Wat het lopende onderzoek, waar dit Logboek onderdeel van is, bijdraagt aan mijn levenshouding;
. Hoe mijn interesses en activiteiten op het gebied van filosofie, kunst en politiek geïntegreerd zouden kunnen worden;
. Of een wijsgerige levensvorm dan geschikt is;
. En tenslotte, en dat kan al eerder blijken, of het überhaupt nodig is om een levensvorm te cultiveren.

Deze weken is het niet alleen vakantie. Ook staan er enkele filosofische zomercursussen op het programma. Over 'ouder en wijzer worden', over 'gastvrijheid', en over 'de spelende mens'. Alles bij elkaar een uitstekende gelegenheid om het een en ander te toetsen en nader te onderzoeken.


14 juli 2016

13 juli 2016: Meditatie VIII

Waarom doe je dit onderzoek?
Uit wijsbegeerte.
Waarom doe je aan wijsbegeerte?
Om wijzer te worden over mijzelf als mens, over de wereld en over het leven.
Waarom wil je dat?
Om mij thuis te voelen in het leven.
Voel je je een vreemde?
Zo voelde ik me, ja.
Nu niet meer?
Minder.
Hoe je minder een vreemde te voelen en meer thuis?
Door verwarring en onwetendheid op te helderen.
Onwetendheid?
Opgevat als een verkeerde of niet-adequate voorstelling van zaken.
Nog meer?
Door mijn onderscheidingsvermogen te scherpen.
Nog meer?
Door nieuwsgierig te zijn, met een passie voor waarheid.
Nog meer?
Door een gebruiksaanwijzing te bekomen bij het leven en bij de wereld waarin ik leef.
Is dat wijsheid?
Zou kunnen.
Hoe doe je dat?
Door ervaringen op te doen, ze te onderzoeken en af te ronden, en door opvattingen kritisch te onderzoeken.
Waarom wil je ervaringen onderzoeken?
Om eruit te leren.
Waarom wil je ervaringen afronden?
Alleen zo geven ze zin aan mijn leven.
Waarom wil je opvattingen kritisch onderzoeken?
Omdat zij mijn beleving beïnvloeden.
Welke opvattingen?
Die van mijzelf en van anderen.
Leer je ook van de ervaringen en opvattingen van anderen?
Zeker.
Waar leidt dit alles toe?
Tot een opgeruimd gemoed.
Was het eerder niet opgeruimd?
Nee, het was bezet door verwarring en onwetendheid.
Hoe ontstond die verwarring en onwetendheid?
Door pijnlijke ervaringen, door dubieuze interpretaties van ervaringen en door wat ik heb geleerd zonder het te toetsen aan ervaring.
Waar stelt het opruimen van het gemoed toe in staat?
Tot levenliefhebbend leven: onderzoekend en creatief, handelend en geëngageerd. Kortom: een spelend leven.
Waarom zou je!

10 juli 2016

9 juli 2016: Meditatie VII

Onderzoek naar de politieke situatie, in het licht van een wereld met toekomst, stel ik uit tot later. Dat wil echter niet zeggen dat de cultureel-maatschappelijke omstandigheden geen rol speelden in de gebeurtenissen die ik in deze episode onderzoek: de breuk met de opvoeding en het geloof van mijn ouders en het weglopen van huis op mijn zeventiende.

Geboren aan het einde van de jaren van de Wederopbouw, werd ik grootgebracht in de jaren ’60, en beleefde ik mijn puberteit en adolescentie in de jaren ’70. Pas achteraf besefte ik dat dit laatste decennium een paradijselijke uitzonderingstoestand in de wereldgeschiedenis is geweest. Enigszins overdreven misschien, maar ook weer niet helemaal.

De welvaart nam zienderogen toe. De ‘revoluties’ van de jaren ’60 hadden hun werk gedaan: zij hadden onontkoombare veranderingen in gang gezet. Bevrijding van het aloude patriarchaat greep om zich heen, of noem het: einde van het vaderlijk gezag. Er gebeurden vrouwenemancipatie en 'seksuele bevrijding', of iets dat er op leek (ná de uitvinding van de Pil en vóór de angst voor Aids). Kinderen uit lagere milieus konden gaan studeren. Er was de verzorgingsstaat als een overkoepelende, nieuwe zekerheid, - heel belangrijk voor wie zich wilde bevrijden uit de greep van familie en traditie. De popmuziek bloeide, en speelde nog steeds een emancipatoire rol in het laten zien dat het anders kon en in het afschudden van oude, stoffige gewoontepatronen. Niet alleen in de muziek was van alles gaande; ook in beeldende kunst, films, romans, et cetera. En niet te vergeten: de belofte van drugs, hippies, protesten tegen de Amerikaanse oorlog in Vietnam, en een alles doortrekkende Koude Oorlog, met de aanwezigheid van een wereldvernietigend wapenarsenaal, plus permanente dreiging.

Allemaal factoren die mijn leven hebben beïnvloed: ik was er gevoelig voor.

Je kunt dus niet zeggen dat de breuk met de opvoeding en het geloof van mijn ouders en mijn weglopen van huis zich afspeelden in een cultureel-maatschappelijk vacuüm.

Was wat ik toen deed puur een product van de omstandigheden waarin ik opgroeide? De aanleiding wellicht. Of dat ook geldt voor wat ik ermee deed, weet ik niet.

Politiek en cultuur hebben mij altijd geboeid. De eerste tien jaren van mijn leven was mijn wereld evenwel een kleine. In het dorp waar ik opgroeide bleven de grote gebeurtenissen lang op afstand. Nieuwe ontwikkelingen leken er altijd pas minstens vijf jaar later door te dringen. Ook in huis was politiek geen onderwerp. Ik kan me niet herinneren dat er aan tafel ooit over werd gesproken, noch over cultureel-maatschappelijke ontwikkelingen. Wat er elders in de wereld gebeurde moesten we vernemen uit de lokale krant; televisie hadden we niet. Mijn vader werkte hard, als boer, elke dag, van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds, waarna het stilaan bedtijd werd.

Het boerenwerk maakte ook dat we nooit op vakantie gingen. Daar was simpelweg geen tijd voor, noch geld. Bovendien was op-vakantie-gaan nog in opkomst; het was nog geen jaarlijkse ‘must’, zoals nu. In ieder geval kan ik me niet herinneren dat ik het een probleem vond om de zomervakantie thuis door te brengen, in de boerderij, op het erf en in de weilanden. Ik speelde er alleen, of met mijn broertjes en zusje, en af en toe kwamen er neefjes langs, of een vriendje van school.

Ook cultureel gebeurde er zo goed als niets in het dorp. Het enige dat er te beleven viel kwam van het verenigingsleven, georganiseerd vanuit de kerk. Het begon met de zondagsschool voor kinderen, parallel aan de lagere school. Daarna kwamen er andere activiteiten, in aparte clubs voor de verschillende leeftijden, tot en met de ouderen. Allemaal geconcentreerd rond dezelfde christelijke boodschap. Als het aan de kerkelijke opvoeders had gelegen, dan zouden samenzang en orgelmuziek zo ongeveer de enige kunst zijn waarmee we in aanraking kwamen.

Het is nauwelijks nog voor te stellen hoe vanzelfsprekend dat toen was. Ik kan me niet herinneren dat ik er als lagere schooljongen moeite mee had. Door de afwezigheid van televisie was er ook nauwelijks iets dat die vanzelfsprekendheid kon verstoren. Hooguit was er het andere ‘geluid’ van degenen die het geloof niet al te serieus namen of die er helemaal buiten stonden. Het was bekend in het dorp wie dat waren, en als je contact met hen vermeed, wat meestal gebeurde, dan bleef je ook verschoond van hun tegengeluid. Naast de boerderij stond het dorpscafé; de eigenaar en zijn familie kenden we nauwelijks; we spraken elkaar niet. Zij waren ‘anders’, en bleven dus vreemden.

Wat forse verandering bracht was de auto en de welvaart om er één aan te schaffen. De komst van de auto bracht een nieuwe dynamiek in het dorpsleven. Tot die tijd haalde iedereen z’n boodschappen bij winkeliers in het dorp. Elke bakker, slager en kruidenier had z’n eigen clientèle. Een strakke marktverdeling dus. Echter, toen steeds meer mensen zich een auto aanschaften, was het snel gedaan met de monopolies. In een stadje, niet ver van het dorp, was een grote supermarkt. Mensen met een auto gingen er op zaterdag naar toe, deden er boodschappen voor de hele week, en haalden nog slechts wat ze tussentijds nodig hadden bij de bakker of kruidenier in het dorp. Wat eerder onveranderlijk vanzelfsprekend leek, kon dus zomaar veranderen!

In de jaren ’70, grotendeels mijn tienerjaren, veranderde er ook cultureel het een en ander in het dorp. Maar eerder, tijdens mijn lagere school, was er nog zo goed als niets te merken van wat zich in grote steden afspeelde. Mijn universum was dorps, landelijk en christelijk, en dat gold ook voor mijn referentiekader. Er kwam nauwelijks iets ter sprake dat er niet in paste. En als dat wel het geval was, dan kon ik er in mijn verbeelding behoorlijk mee aan de haal gaan, ook letterlijk.

Tijdens een geschiedenisles, het moet in de hoogste klas zijn geweest, vertelde de schoolmeester over de Oude Grieken, met een korte uitweiding over Socrates: een man die op straat in gesprek ging met iedereen; dat hij het met hen had over onderwerpen die van belang waren voor het leven in de stadsstaat Athene, die toen groots en beroemd was; en dat hij zich er niet populair mee maakte, want hij moest het met de dood bekopen: de gifbeker. Ik kan me niet herinneren dat de meester het over filosofie heeft gehad; wel dat Socrates zijn gesprekken voerde op het marktplein en dat er ook amfitheaters waren. Het sprak me aan, en in mijn verbeelding combineerde ik het een en ander, waarna ik het plan opvatte om zelf zoiets te doen.

Op de boerderij was overal ruimte, en ook voor bouwmateriaal hoefde je niet lang te zoeken. Achter een schuur, met uitzicht op de weilanden, ben ik toen van hout een soort van mini-openluchttheater gaan bouwen, met oplopende zitplaatsen, als plek voor een publiek debat. Ik zou er mensen uit het dorp uitnodigen, om met hen de stand van zaken door te nemen, plannen te maken, en belangrijke beslissingen te nemen, in het belang van de gemeenschap! De tribune is er gekomen, met plek voor 12 tot 15 mensen, afhankelijk van de schouderbreedte, en een grasveldje als gespreksarena. Daar is het bij gebleven. Voor sommige plannen wist ik mijn schoolvriendjes nog wel warm te krijgen (zoals een natuurclub met de illustere naam ‘De bonte kraai’), maar dit Socrates-gedoe ging hen waarschijnlijk toch te ver. Geen gesprekken dus, wat dit amfitheater tot episch centrum zou hebben gemaakt voor geweldige debatten, (noch onbekende) projecten en grootse ontwikkelingen, in het dorp, en daarbuiten wellicht, waar dat ook mocht zijn!

Pas als tiener werd mijn dorpshorizon verlegd. Tot die tijd moest ik het doen met orgelklanken, kaas uit de plaatselijke melkfabriek, en hutten bouwen in bomen en op hooizolders. Niet onplezierig, overigens.

Hoe groot was niet het contrast tussen de besloten wereld van het dorp enerzijds en de dynamiek en het vele van de grote stad anderzijds? En dat in een paar jaar tijd!

Al snel voelde ik mij een vreemde. Eerst als dorpeling in een stadse omgeving. Later als vreemde naar 'mijzelf' toe, alsof ik tegelijk een ander aan het worden was.

Ik kan mij niet herinneren dat het vreemde van de wereld waar ik mee kennis maakte buiten het dorp mijn afkeer opwekte. Eerder wekte het vreemde mijn nieuwsgierigheid, plus de vraag hoe het te duiden. Bij de verandering, noch bij het nieuwe waarmee ik in aanraking kwam, beschikte ik over een gebruiksaanwijzing die recht deed aan die nieuwsgierigheid.

Na enkele jaren van vastklampen aan wat mij vertrouwd was, het geloof, volgde een twijfelen aan wat eerder vanzelfsprekend was. Dit gebeurde niet in grote stappen, maar geleidelijk aan. Puberteit en aandacht voor en van de meisjes hebben wel het een en ander versneld.

Het geloof waarin ik was opgegroeid, benadrukte eerder 'het leven als tranendal' dan de 'vrije vreugde van de erotiek'. Bovendien, wat te denken van al die andersdenkenden? In de besloten omgeving van een dorp was de claim nog wel vol te houden dat dé waarheid bestond en dat zij exclusief en eenduidig was, met als enige variatie een verschil in gradatie waarin die waarheid werd beleden.

(Mijn opa, bijvoorbeeld, was strenger gelovig dan mijn ouders. Hij ging niet naar de dorpskerk, maar naar een schuurkerk. In mijn zwaar gelovige periode ging ik wel eens met hem mee. Tijdens de diensten die niet op zondag werden gehouden omdat dan de dominee zou moeten reizen wat niet mocht, werd hel en verdoemenis gepredikt. Was dit geloof echt anders dan dat van mijn ouders? Niet echt. Het was voornamelijk consequenter.)

Geconfronteerd met de diversiteit van de grote stad waar ik school ging, werd de vraag: gaan al deze mensen naar de hel? Dat kon er bij mij niet in. Hoe zit het dan met die ene God en die ene waarheid? Kunnen zij dan wel bestaan?

Er ontstond een spanning die alsmaar groter werd: ik kon het allemaal steeds minder rijmen. Met een sociologische blik bezien, was het dit aanpassingsprobleem dat leidde tot de breuk met de opvoeding en het geloof van mijn ouders.

Was het geloof ruimgeestiger geweest, met ruimte voor meerdere insteken, dan was ik misschien niet in dit innerlijke conflict geraakt, - al moet gezegd: ook de leven- en erotiekverachtende  kant van het geloof telde zwaar. Nu was waarheid gebonden aan een monopolie, met één God en maar één duidingstraject, slechts verschillend in intensiteit.

Dit alles serieus nemend, en dat deed ik, ontstond er een onoverbrugbare kloof met andere leef- en denkwijzen. Het enige alternatief was: óf het zich moedwillig aanmeten van dogmatische oogkleppen (waardoor de waarheid gered kon worden, maar ten koste van de werkelijkheid), óf breken, - oftewel het hele waarheidsschema opblazen.

Het laatste gebeurde, met als gevolg dat mijn gebruiksaanwijzing bij de wereld niet alleen tekort bleek te schieten, maar geheel aan diggelen ging. Hoe haar te vervangen? En waarmee?

                                                                            *****


Hoe zou dat nu zijn gegaan? Zou hetzelfde zijn gebeurd?
Moeilijk voor te stellen.
Zouden je ouders nu anders hebben gereageerd?
Zou kunnen. Het grote verschil met een halve eeuw geleden is, behalve meer welvaart en betere scholing, de komst van internet en de beschikbaarheid van informatie, zelfs wanneer je op afstand zou blijven van de grote stad. Ik kan me slecht voorstellen dat mijn ouders niet ook beïnvloed zouden zijn door deze ontwikkeling. In ieder geval is ook het dorp meegegaan met de tijd. Als mijn ouders zich eraan hadden willen onttrekken, dan zouden ze een uitzondering zijn geweest, en dat waren ze toen niet.
Wat voor verschil zou dat hebben gemaakt?
Ze zouden beter geïnformeerd zijn, met meer kennis van wat er allemaal speelt. Ook zouden andere leef- en denkwijzen hen minder vreemd zijn.
Zouden ze ruimgeestiger zijn geweest, met ruimte voor anders denken, ook van hun zoon?
Zou kunnen. Het blijft speculeren. Ze zouden misschien minder afwijzend hebben gereageerd. Wellicht dat mijn ouders meer oog zouden hebben gehad voor het geluk van hun zoon, in plaats van het geloof boven alles te laten gaan, zoals zij toen deden.
Zou dat voor jou minder reden zijn geweest om te breken met hun opvoeding en hun geloof?
Met hun opvoeding zeker. Mijn ouders zijn lieve mensen. Zij zouden het anders hebben kunnen doen, als zij zouden hebben geweten hoe.
En met het geloof, zou je daar dan evenmin mee hebben gebroken?
Weet ik niet. Waarschijnlijk zou ik ook dan moeite hebben gehad met de weinig levenliefhebbende grondtrek die in het monotheïsme zit, gekoppeld aan de aanname dat er zoiets als het bovennatuurlijke zou bestaan, met alles wat daaruit volgt, aan heilsverwachtingen en andere onverifieerbare boodschappen.
Zou je als filosoof iets anders hebben gedaan?
Ik weet niet of ik überhaupt filosoof zou zijn geworden. En zou dat wel het geval zijn, dan zou de kans erg klein zijn geweest dat ik als filosoof op zoek zou zijn gegaan naar de redelijkheid of plausibiliteit van het christendom, of iets dergelijks, - een poging die ik sowieso onbegrijpelijk vind, zeker na de inzichten die ondertussen zijn opgedaan in filosofie, psychologie en andere wetenschappen. Een filosoof die zoiets toch onderneemt, heeft een andere dan wijsgerige agenda, of wordt gemotiveerd door iets dat hij niet onder ogen wil zien, lijkt me. Van een filosoof verwacht ik radicale eerlijkheid, minstens naar zichzelf toe.
Verwacht je dat ook van je ouders?
Nee. Wel dat ze eerlijk zijn - en dat zijn ze ook -, maar niet dat zij op de hoogte zijn van filosofische inzichten en dergelijke.
Zou je, als het zich allemaal nu zou hebben voorgedaan, er met hen over hebben kunnen praten, in plaats van te moeten weglopen?
Ik zou het hopen. Begrijpen is niet de basis voor een warm menselijk contact. We zouden elkaar wel meer ruimte hebben gegund, vermoed ik. Maar goed, het heeft weinig zin om te bedenken hoe het anders had kunnen gaan. Nogal hypothetisch. Er is gebeurd wat er is gebeurd. Het enige wat ik kan doen is begrijpen wat er is gebeurd, er lering uit trekken, plus de vraag hoe verder.

08 juli 2016

7 juli 2016: De Wallen

Ben voor de tweede nacht op de Wallen. Gisteren lukte het niet helemaal: ik moest nog even wennen aan deze nieuwe locatie.

Ik weet nu ook waarom ik hier ben. Enkele dagen geleden had ik de inval om voor onderzoek een bezoek te brengen aan deze buurt, maar wist toen nog niet goed wat ik er te zoeken had.

Wat weet ik eigenlijk van de mensen die ik zie? Wat weten anderen van mij? Wat gaat er schuil achter een gezicht?

De Wallen zijn het tegenovergestelde van een begraafplaats. Hier is leven, volop leven. En leven draagt vaak een masker. Dat blijkt helemaal hier: de schone schijn straalt me vanachter elk raam tegemoet! Het rode licht maakt het aangeboden lichaam nog meer tot vlees, een buitenkant, - en bedrieglijker: binnen, in ander licht, blijkt het aanzienlijk minder gaaf, gewoner, minder aaibaar.

Waarom zou ik hier iets willen onderzoeken?

Mijn vriendin verbaast zich er af en toe over wat zij niet allemaal over mij te weten komt door al deze schrijverij. Inderdaad, veel van wat in dit Logboek belandt zou ik niet zo snel ter sprake brengen in een gesprek. Waarom?

Hoe het ook zij, aan mij zul je niet zien wat er schuil gaat achter mijn uiterlijk, zeker de verhalen niet, - zoals ik ook niet weet welke verhalen zich verbergen achter de gezichten en lijven die ik hier zie.

Lang geleden dacht ik dat rosse buurten het exclusieve domein van mannen waren. Wat betreft bezoek aan hoeren zal dat ook het geval zijn. Maar er lopen ook veel vrouwen rond. Wat doen zij hier?

Toen ik een aantal jaren in een hotel werkte, kreeg ik meer dan eens het verzoek van alleenreizende vrouwen om hen te begeleiden naar de ‘Red Light District’. Waarom wilden zij daar naartoe? Behalve dat het een buitengewoon levendige bezienswaardigheid is, een ‘must see’ uit de gids, ontdekte ik ook een andere reden: de macht van vrouwen, hun macht, - in potentie, althans. Zij wordt hier ten volle uitgespeeld, met mannen als gewillige onderdanen: ze betalen er zelfs voor! Interessant om die macht hier zo uitbundig geëtaleerd te zien. En ja, zij valt moeilijk te negeren.

Een glimlach betekent hier geen glimlach, een handkus is niet die van een geliefde, en een knipoog lijkt slechts op flirten.

Wat me altijd heeft gefascineerd is de geheel eigen morele ruimte van een rosse buurt. Er gelden andere regels en gewoonten (beter om je niet te vergissen!), en er wordt gespeeld met het verschil: wat elders normaal is, is het hier niet. Alleen al door hier te zijn, ben ik een ander, word ik anders bekeken. De sekserollen zijn er vaak omgekeerd. Ook de primitieve mens manifesteert zich hier ruimschoots, zeker na wat biertjes: onnodig om op te kijken van lallende jongeren op zomerkamp alhier. Vechtpartijtje. Politieoptreden. Het hoort erbij.

Heb ik zin om naar binnen te gaan in één van de rode kamertjes? Niet echt. De schijn weerhoudt me. Ik weet dat de liefde binnen gewoon handel is. En deze handel moet het hebben van fantasie en zich opdringende lust. De realiteit is tamelijk ontnuchterend, de belofte bedrieglijk, en dit weten helpt niet echt om er zin in te houden. Bij een flinke dronkenschap zou ik me misschien over de drempel heen kunnen zetten. Heb geen behoefte nu om dit nog eens te onderzoeken.

Blijft de vraag: wat schuilt er achter de buitenkant van mensen die ik hier zie? Wat verbergt zich achter de vorm? Is zij een façade voor ellende? Verhult zij een niets? Een rijk gevoelsleven? Een interessant leven? Ik kan het niet zien, heb slechts een vermoeden, wanneer ik mijn best ervoor doe.

De vergelijking met meditatie dringt zich op. Op een kussen gezeten ziet iedereen er kalm en rustig uit. Maar afgaand op wat er bij mij gebeurt, is het doorgaans een flinke kermis in ieders hoofd, ook al is daar niets van te zien.

Behalve dat het gewoon niet te zien is wat er innerlijk allemaal speelt, kunnen de innerlijke roerselen ook bewust worden ingehouden. Of verborgen. Alsof het een geheim betrof. Of iets dat je niet geweten wilt hebben.

Jarenlang gold dat zeker ook voor mij. Mijn afkomst, als boeren dorpsjongen, hield ik verborgen, evenals mijn verleden met geloof. Niet dat het echt hielp: sommigen zagen of hoorden het ook wel zonder dat ik erover vertelde. Waarom? Wat maakte dat ik erover zweeg? Ik wilde er niet op afgerekend worden. En ja, dat gebeurt.

Ik kan me nog vrij precies ontmoetingen herinneren waarin de ander voor mij een hok in petto had, zodra hij of zij een vermoeden kreeg van hetgeen waarover ik het liever niet wilde hebben. In plaats van er luchtig mee om te gaan, verdwenen deze mensen-met-hokjesgeest meestal in het asiel dat ik had gereserveerd voor degenen die ik haatte. Een hok voor mensen met een hokjesgeest dus.

Ik heb het geluk geen discriminatie te hebben ervaren die te maken heeft met etniciteit of sekse. Ik weet wel hoe het voelt om te worden weggezet als ex-gereformeerde boeren dorpsjongen. Inderdaad, vernederend en ‘adembenemend’: elke vrije ruimte wordt je ontnomen, wat je verder ook doet of beweert. Bovendien werd ik dan ook nogal eens kribbig of kwaad, wat evenmin echt helpt.

Wat ertegen te doen? Geheimhouding was dus lange tijd mijn strategie. Ben het echter beu om nog langer te doen alsof ik iemand niet ben.

Wat ik nu doe, als vervangende strategie – en dit logboek is er een eerste uitwerking van - , is om vruchtbaar te maken waar ik eerder last van had, of bang voor was om te tonen. Ik heb nu iets in de aanbieding!

Laat ik mijn eigen hok opengooien! Heb mijzelf erin opgesloten. Ben dan ook zelf degene om het slot eraf te gooien en de hele bunker te laten verdampen. Simpeler kan het niet! En voor wie nog de neiging heeft tot hokkenbouwerij: ik ben benieuwd wat deze persoon me te leren heeft over het mechaniek van kleingeestigheid. Tot zover de façade!

Het blijft opmerkelijk dat in het hart van de rosse buurt de Oude Kerk staat. Ik kan me de buurt ook slecht anders voorstellen. Ze lijken met elkaar te maken te hebben, of elkaar aan te vullen. Hoe? Horen zij bij elkaar zoals hetgeen ik uitleef hoort bij hetgeen in mij leeft?

Een andere eigenaardigheid: deze buurt is wellicht de enige in Amsterdam waar je niet geacht wordt foto’s te maken. En als je het wel probeert, dan krijg je er last mee. Er zijn types die het niet erg op prijs stellen. Aandacht voor de buitenkant heeft z’n grenzen. Niet alleen verhult het uiterlijk wat er innerlijk leeft; soms ook dient het uiterlijk verhuld te worden, omdat het teveel 'innerlijkheid' toont: het is niet de bedoeling dat iedereen je hier ziet.

Op het terras waar ik ben gaan zitten trekt een aanhoudende stoet nieuwsgierigen en gelukszoekers aan me voorbij, - althans, zo label ik hen, afgaand op gezichtsuitdrukking, manier van lopen, attitude, et cetera. Kan ik zien wat ‘in’ hen omgaat?

Ik kijk om me heen, en staar – soms iets te lang – naar hoofden aan andere tafels. Hoe zou het zijn om hem te zijn? – hij met dat knotje in zijn lange zwarte haar; zojuist heeft hij een stevige joint gerookt, samen met zijn vrienden; hoe zal hij zich voelen nu? Hoe zou het zijn om haar te zijn? – zij met haar rode jurk en henna-haar, terwijl ze naar haar vriend kijkt, allebei aan de wijn; wat zal zij nu denken?

Wonderlijk, het is stomweg onmogelijk om mij voor te stellen wat ‘in’ hen gebeurt. Lijkt het op wat zich ‘in’ mij afspeelt? Denken ze misschien: wat voor kerel zit daar, biertje bij de hand, peinzend en schrijvend, tussen allemaal toeristen die zich vermaken. Zit hij misschien onderzoek te doen? Onderzoek naar wat? Naar schone schijn en innerlijkheid? Hoe idioot moet je zijn om op een mooie zomernacht als deze daarmee bezig te zijn! En dat ook nog vrijwillig.

Het terras gaat sluiten. Overal nog mensen, rode vitrines, en een gracht met zwanen. Een verre van dode wereld.

Het lukt niet om in het innerlijk van wie dan ook hier binnen te dringen, - hoe zou het ook kunnen? Toch heb ik het idee van sommigen te weten wat zij ongeveer willen of hoe zij zich voelen, afgaand op wat ik waarneem. Klopt het? Kan het überhaupt kloppen? Alsof ik, door zo te focussen op het innerlijk van de ander, plotseling in een wereld verkeer met volstrekt onbekenden…


07 juli 2016

6 juli 2016: Meditatie VI

De dood, die van mij: ben ik er bang voor? Ik zie geen reden. Liever nog niet, en dat is het. Ik maak me drukker over de mogelijke dood van een ander, dan over die van mij.

Doodgaan kan ik niet anders zien dan als een natuurlijk onderdeel van het leven. Alles wat leeft, gaat dood: hoe zou ik het anders kunnen willen? Bacteriën en schimmels zullen zich te goed doen aan wat er van mij over is, nadat ik de laatste adem heb uitgeblazen, - een soort natuurlijke onsterfelijkheid: in de maag van andere levende wezens!

Hopelijk leef ik nog een poosje voort in de herinnering van dierbaren. Op een begraafplaats realiseer ik me dat zij onvermijdelijk tijdelijk zal zijn en uit zal doven. Het leven gaat door zonder de doden, en dat lijkt me niet meer dan gezond.

Al ben ik niet bang voor de dood, wel zou ik het jammer vinden om te sterven. Ik hou van het leven en blijf er nieuwsgierig naar.

Graag zou ik willen dat er zoiets bestond als reïncarnatie: geef mij nog maar een aantal levens! Ik zou willen zien hoe het verder gaat! En eraan meedoen, volop! Enige herinnering aan eerdere levens zou dan mooi zijn. Om ervan te leren en om mee te nemen naar de toekomst. Maar helaas, er is geen enkele aanwijzing voor dat het ook daadwerkelijk gebeurt, behalve als wens.

De reïncarnatie waar we het mee moeten doen is gemeenschappelijk, zij heet ‘beschaving’, - de enige vorm van onsterfelijkheid die het menselijk leven rijk is: een soort collectief geheugen dat zich veruiterlijkt in artefacten, verhalen en praktijken, en dat doorwerkt, en ook groeit, met wat nu gedaan wordt, als een alsmaar groeiende berg, met onderlagen waarop wordt voortgebouwd.

De beschavingsberg groeit niet vanzelf, en hij kan ook inzakken. Evenmin wordt hij slechts gevormd door het ware, het goede en het schone. Neem Europa, de berg die mij het meest vertrouwd is; hij is mijn biotoop. Europa is niet alleen gevormd door Grieks-Romeinse topprestaties, door Christendom, wetenschappelijke vooruitgang en Verlichting, maar ook door Inquisitie, slavernij, Holocaust en andere barbarij. Toch, zij vormen ons collectieve geheugen, een aanwezigheid en een werkzaamheid die mij vormen, of ik het wil of niet.

We kunnen deze erfenis onbewust ondergaan, en we kunnen haar bewust cultiveren en eraan willen bijdragen. Het is de enige onsterfelijkheid die ik de moeite waard acht: niet die van mijzelf, maar die van de beschaving, - als speeltuin in het groot en als Bildungsreservoir voor een menswaardig bestaan.

Heb geen behoefte om te gaan klagen over dreigende ondergang, ook al blijft dat altijd een mogelijkheid. Het lijkt me belangrijker om de beschaving vitaal te houden, met de vraag welke waarden we hoog willen houden en wat we kunnen creëren, om het leven te vieren! Wat is dan nog de dood? – behalve liever nog niet. 

Er zijn dus twee vormen van onsterfelijkheid: een natuurlijke en een culturele, en geen persoonlijke. Ik kan er goed mee leven!

Overigens wordt het voor de culturele onsterfelijkheid langzaamaan van vitaal belang om ook zorg te dragen voor de natuurlijke. Er moeten wel genoeg bacteriën en schimmels in leven blijven om mijn lijk te verorberen en door te geven! En wellicht is het dan slim om ook de rest van de voedselketen mee te nemen: planten, dieren, bomen. Een kwestie van beschaving!

                                                                         *****


Hoe staat het ondertussen met het bovennatuurlijke, God, een hiernamaals, e.d.?
Wel, ik zie geen enkele reden om ervan uit te gaan dat zoiets bestaat, behalve in het rijk van de verbeelding, in de wereld van het alsof. Het zijn wat mij betreft simpelweg irrelevante noties. Ben wel benieuwd wat godgelovigen ervan verwachten; wie weet kunnen we elkaar dan ergens ontmoeten, niet op het niveau van concepten, maar ervaringsmatig. We zijn ten slotte allemaal mensen, deelhebbend aan eenzelfde existentie. Meer denk ik er eigenlijk niet van. Waarom zou ik me druk maken over een irrelevantie?

03 juli 2016

2 juli 2016: Sint Barbara (IV)


Wat drijft me? Met deze vraag ga ik opnieuw naar begraafplaats Sint Barbara. Op zich zou ik me deze vraag niet hoeven te stellen, want ik word er immers reeds door gedreven; waarom zou ik dit dan willen onderzoeken? En waarom met deze vraag naar een begraafplaats?

Wat drijft mij? Al heel lang weet ik mij onrustig, is er onrust in mij, onrust die mij van het een naar het ander drijft, die mij van alles doet onderzoeken, en die ook maakt dat ik bijna nooit tevreden ben. Zal dit ooit ophouden? Ik vraag het me af. En ik weet niet of ik het werkelijk wil. En ook of ik wel zou kunnen willen.

Vaak heb ik wel gezocht naar een blijvende tranquillizer: een inzicht, een activiteit, of een liefde, iets waardoor ik bevrijd zou zijn van die onrust. De wens was er, en soms had het ‘middel’ ook een tijdje die uitwerking, maar vroeg of laat stak dan toch weer de onrust de kop op.

Hoe vaak heb ik niet gewenst dat ik gewoon een vak zou hebben geleerd, met de talenten die ik heb, en dat ik dan een baan zou hebben gezocht, en een aardige vrouw, en dat we een mooie woonplek zouden hebben gevonden, kinderen, een paar leuke hobby’s, af en toe op vakantie, et cetera, en dat ik tevreden zou zijn met dit bestaan.

Als ik een leven zou kunnen overdoen, en ik zou kunnen kiezen hoe het zou zijn, dan zou het ongeveer zo zijn, en in ieder geval zonder de onrust waar ik nu mee behept ben.

Anyway, mijn leven is anders, verloopt anders, en ik zoek er tevreden mee te zijn. Hoe? Niet meer door te proberen aan de onrust te ontkomen, maar door er in te gaan zitten, en er het beste van te maken. Heb niet (meer) het gevoel dat er een wondermiddel bestaat waardoor die onrust zou kunnen ophouden. Behalve de dood wellicht.

Die onrust heb ik al zolang als ik me kan heugen, al voelde het in het begin anders, eerder als nieuwsgierigheid. Ik akan me herinneren dat mijn opa, die drie huizen verderop woonde en bij wie ik als klein jongetje vaak even langs ging, zich er eens zijn verbazing over uitsprak waar ik toch al die vragen vandaan had die ik hem stelde. Hij dacht dat ik ze ergens had gehoord of gelezen, maar nee, ze kwamen uit mijzelf. Ik zat toen nog op de lagere school en had nog geen twijfels bij het geloof, - die kwamen later, als tiener. Wel stelde ik me allemaal vragen die met geloofszaken te maken hadden en met het leven en de wereld in het algemeen.

Het is bijna niet voor te stellen, maar mijn opa was iemand die nog geloofde dat de aarde plat was. En hij geloofde dat omdat het zo in de bijbel stond, volgens hem. Toen in 1969 mensen naar de maan gingen en erop hadden gelopen, geloofde hij niet dat dat waar was. Ik maakte er geen punt van dat hij dit niet geloofde, maar bleef wel met vragen komen.

Werden die vragen ergens door gewekt? Door een tegenstelling tussen geloofswaarheden enerzijds en wetenschappelijk onderzoek en technologische vooruitgang anderzijds, bijvoorbeeld? Zou kunnen dat het een rol speelde, al merkte ik van die tegenstelling nog weinig in mijn dorp van toen. We hadden geen tv, dat scheelde. Het was eerst en vooral nieuwsgierigheid, willen weten hoe het zit. Heeft deze jeugdige nieuwsgierigheid zich getransformeerd in onrust? Niet onmogelijk.

Wat ik in ieder geval weet, is dat ik overweldigd raakte door wat er niet allemaal was in de wereld en wat er zich afspeelde. De deur naar deze grotere wereld was de middelbare school waar ik als beginnende puber naar toe ging, in een groter dorp, op tien kilometer fietsen. Er gebeurde van alles, op het schoolplein en op feestjes: met de blik van een naïeve dorpsjongen keek ik mijn ogen uit.

Die deur ging nog verder open toen ik een jaar later naar een andere middelbare school ging, beter passend bij mijn talenten én bij de wensen van mijn ouders. Deze school stond in Rotterdam, op anderhalf uur fietsen. Al was de school streng religieus en nogal conservatief, de stad was dat niet. Niet alleen was het verschil tussen een christelijk boerendorp en de wereldhaven Rotterdam immens; het was 1970, de revoluties van de jaren '60 grepen om zich heen en werden overal voelbaar, en zeker ook zichtbaar: hippiekleding, lang haar, en hoorbaar: popmuziek.

Hoe ging ik om met deze veranderingen? Eigenlijk niet. Ze maakten me nieuwsgierig en brachten me in de war. En dat gecombineerd met een gezonde dosis eigenwijsheid. Wat nooit is gebeurd, en daar ben ik blij mee, is dat ik ben gaan twijfelen aan mijn eigen waarheidsgevoel. De autoriteit mocht nog zo groot zijn - mijn vader, leraren, de dominee, de bijbel, God - , als ik het gevoel had dat er iets niet klopte, dan ging mijn twijfel voor. Bij spanning tussen mijn waarheidsgevoel en een autoriteit met waarheidsclaims moest de autoriteit het altijd afleggen, of bezuren. (Zo ben ik ook van mijn godsgeloof gevallen, maar dat duurde nog even.)

Gaandeweg mijn puberteit nam de twijfel toe aan de geloofswaarheden die ik met de paplepel binnen had gekregen. De breuk voltrok zich rond mijn vijftiende. Een duidelijk crisismoment dat ik me herinner was als zondagsschoolleraar, of beter: leraartje. Waarschijnlijk omdat ik als beginnende tiener het christelijk geloof nog serieus nam en omdat ik op een bijpassende middelbare school zat, werd ik op mijn dertiende gevraagd om 'leraar' te worden. Kinderen uit een christelijk gezin, en de meeste gezinnen in het dorp waren christelijk, werden op de zondagsschool gedaan. Op de zondagmiddag kreeg je een uur lang 'les', met bijbelverhalen en stichtelijke kleurplaatjes, en de christelijke feesten (met name kerst en pasen) werden uitgebreid voorbereid en gevierd.

Er was kennelijk een tekort aan leerkrachten. In ieder geval werd mij gevraagd om het personeel te komen versterken. 'Leraar' is misschien een te groot woord; nu zou het wellicht 'begeleider' heten. Wat werd ik geacht te doen? Samen met een ander, een oudere 'lerares', was dat: de kleintjes bezig houden, met hen zingen, en de christelijke boodschap presenteren, aan de hand van grote kleurplaten, als ik het me goed herinner. Vond ik het leuk om te doen? Ik herinner me vooral dat ik me (dertienjarig...) herhaaldelijk erg zenuwachtig maakte over hoe het een en ander te doen: een verhaaltje vertellen, samen bidden, et cetera. Van enige didactische begeleiding was geen sprake.

Het heeft niet lang geduurd. Op mijn veertiende begonnen er scheurtjes te komen in mijn toewijding. Ik herinner me welhaast wanhopige pogingen om het vol te houden. Ik bad ervoor tot God, maar vroeg me tegelijkertijd af aan wie of wat dat gebed eigenlijk gericht was. Was ik eigenlijk niet gewoon tegen mezelf aan het praten? - niet erg bevorderlijk voor mijn taak of 'opdracht' als zondagsschoolleraar.

Ik weet niet meer precies hoe er een einde is gekomen aan wat steeds meer op een lijdensweg ging lijken. Waarschijnlijk zagen mijn 'collega's' ook wel dat het me niet helemaal meer lukte en dat de toewijding afnam. In ieder geval was ik op mijn vijftiende niet meer verbonden aan de zondagsschool.

Al snel ging het toen de geheel andere kant op. Het zou nu heten dat ik 'radicaliseerde', niet als gelovige, maar als niet-langer-gelovende. Ik ging nog wel naar de kerk, maar verloor elke affiniteit, en werd gaandeweg een steeds groter lastpak en puberale onruststoker, achterin het kerkgebouw, tijdens de zondagse diensten, samen met enkele andere rebellen, - tot verdriet van mijn ouders, uiteraard, en woede. Op een gegeven moment werd ik zelfs publiekelijk, vanaf de kansel, met naam en toenaam, tot de orde geroepen, vanwege herrie maken, e.d., - een groot contrast met de jongen die enkele jaren eerder in diezelfde kerk als zondagsschoolleraar een kinderkerstfeest had begeleid, in het bijzijn van diezelfde christelijke gemeenschap van het dorp...

Wat dreef mij tot die verandering? Moeilijk te zeggen. Tal van factoren zullen een rol hebben gespeeld.

Lange tijd heb ik de zoektocht die ik sindsdien heb ondernomen, toegeschreven aan de breuk met de opvoeding en het geloof van mijn ouders, uitlopend op weglopen van huis. En niet zonder reden: het voelde zeer lang alsof een 'zwart gat' in mij was geslagen, een existentieel zwart gat. Maar was dit laatste ook de oorzaak van die zoektocht?

En waarom wil ik dit onderzoeken? Omdat ik me ondertussen een gevangene voel van die koppeling.

Stond alles wat ik heb gedaan (met name in kunst, filosofie en ook in de liefde) in het teken van het willen dichten van een ondraaglijk 'zwart gat'? Lange tijd heb ik gedacht dat dit het geval was.

Ik had mij rond mijn 15de zeer sterk voorgenomen om mijn afscheid van het geloof grondig en definitief te laten zijn. Wat ik niet wilde, was wat ik om mij heen zag gebeuren: een jongen (meestal was het een jongen) pleegde rebellie tegen de heersende regeltjes en tegen het vaderlijk gezag, kwam een tijdlang niet meer in de kerk, kreeg op zijn 18de of 19de verkering, en trouwde een poosje later. Waar? In de kerk. Het jeugdige oproer was uitgewoed, en het verloren schaap keerde uiteindelijk terug naar de orde van de geloofsgemeenschap, inclusief kerkbezoek. Eén ding wist ik zeker: dit nooit!

En inderdaad, het volwassenwordingsritueel heeft zich in mijn leven niet op die manier voltrokken. Is hetgeen ik wel gedaan heb een variant daarop? Is het allemaal het gevolg geweest van de breuk met het geloof? Ben ik voornamelijk bezig geweest met het dichten van het existentiële zwarte gat dat toen geslagen is?

Zou kunnen, maar is het het hele verhaal? Terugkijkend en met de vraag 'wat drijft mij': nee. Ik kan ook zeggen dat er een gevoeligheid en een onrust (of nieuwsgierigheid) aan vooraf ging. Niet de breuk was de oorzaak van mijn zoektocht, maar er was reeds een zoeken gaande en een niet-voor-lief-nemen van wat me werd verteld. De breuk met de opvoeding en het geloof van mijn ouders was hiervan het gevolg.

Weliswaar was deze breuk diep ingrijpend (versterkt door het weglopen van huis, op mijn 17de, en alles wat daaruit is voortgekomen), maar dat maakt haar nog niet tot de eerste oorzaak van alles wat volgde. En als zij al een oorzaak was, als één in een serie.

Dat ik de breuk lange tijd wel zag als voornaamste oorzaak, heeft wellicht te maken met de pijn die ermee gepaard ging. Pijn trekt korte lijntjes. Vergelijkbaar met wat er gebeurt bij een kwetsuur: wanneer iemand mij een geweldige dreun op mijn arm geeft, zo fors dat ik hem lange tijd niet kan gebruiken, dan zal ik al tijd bij het ongemak en de pijn denken aan die hufter die mij geslagen heeft. Begrijpelijk, maar is de van die ander de enige oorzaak van mijn pijn? Niet alleen. Er is ook nog iets anders, je zou het de voorwaardelijke oorzaak kunnen noemen: namelijk de gevoeligheid van mijn arm. Was mijn arm ongevoelig geweest, dan zou de klap van de ander geen pijn hebben veroorzaakt. Natuurlijk blijft de klap een belangrijke factor in de totstandkoming van de kwetsuur, maar niet als enige.

Was zoiets ook niet het geval toen ik brak met de opvoeding en het geloof van mijn ouders? Er was een sensibiliteit voor zaken van geloof en waarheid, die maakte dat ik überhaupt gevoelig was voor wat er met mij en om mij heen gebeurde. Waarom zou ik zonder die sensibiliteit er anders een probleem van hebben gemaakt? Hoe zou ik anders de noodzaak hebben kunnen voelen om te breken met mensen die mij in liefde had grootgebracht? Waarom zou ik het anders zo moeilijk maken voor mijzelf? Een gewoon leven, met een redelijke baan, vrouw en kinderen, een leuk huis etc lag meer voor de hand.

Het heeft niet zoveel zin om te wensen dat het anders zou zijn gegaan. Het zou betekenen dat ik een ander persoon had moeten zijn, met een andere sensibiliteit.

Om de vergelijking met de kwetsuur nog verder door te trekken. Stel dat de klap mij voor lange tijd zou hebben uitgeschakeld en stel dat de persoon die mij de kwetsuur had bezorgd geen enkele poging zou ondernemen om het weer goed te maken, geen excuses of iets dergelijks, hoe zou ik daarop reageren? Is de kans dan niet groot dat ik al die tijd mijn pijn en ongemak zou verbinden aan de dader? Het is zelfs mogelijk dat ik wrok of haat tegen die persoon zou ontwikkelen. Hoe dat niet te laten gebeuren?

Op de een of andere manier zou ik ervoor moeten zorgen dat ik de gevolgen niet onmiddellijk en uitsluitend zou koppelen aan de dader die ik erom zou verafschuwen. Wellicht zou het helpen wanneer ik niet langer van maar één oorzaak uit zou gaan, maar er (minstens) twee zou onderscheiden: de klap van de ander en mijn gevoeligheid ervoor. De pijn en het ongemak zouden er misschien niet minder door worden, maar ik zou er wel op een andere manier last van hebben. Het onderscheid zou me in staat stellen tot een ontkoppeling waar ik zelf baat bij zou hebben: niet meer onmiddellijk vastzitten aan de dader; hem kunnen loslaten en me verder bezig houden met het verhelpen van mijn pijn en ongemak, zonder nog vast te zitten aan iets waar ik verder geen invloed op heb, - er even van uitgaande (ten behoeve van het gedachte-experiment) dat degene die mij de ellende heeft bezorgd ofwel geen excuses wil maken, ofwel zich van geen kwaad bewust is. Het zou mijn situatie verlichten, en het zou voorkomen dat ik wrok tegen de dader zou ontwikkelen, - iets waardoor ik nog meer last, onnodig meer last, zou ondervinden van wat er is gebeurd.

Vertaald naar de breuk met opvoeding en geloof: in plaats van levenslang vast te blijven zitten aan die breuk en de pijn die zij heeft veroorzaakt, bij mijzelf en bij mijn ouders, kan ik ook onderscheid maken tussen de pijnlijke breuk enerzijds en mijn gevoeligheid (en talent) voor zaken van geloof en de waarheidsvraag anderzijds.



[wordt vervolgd]