19 september 2016

18 september 2016: Vragen, sporen en reflecties (VII)

I.
Het leven heeft in zichzelf geen zin. De zinvraag is afhankelijk van degene die het leven als zinvol of zinloos kan ervaren en die in staat is tot het stellen van de vraag naar zin. Zonder de mens is er geen sprake van zin.


II.
Normale, fatsoenlijke mensen zijn goed voor de recreativiteit en het aldus in stand houden van de bestaande orde. Zij zullen geen verandering brengen. Daarvoor zijn mensen nodig die niet deugen: de misfits, de onaangepasten, degenen die lijden aan de tijd en de cultuur. Met hun optreden of werk proberen zij hun omstandigheden zodanig te wijzigen dat zij erin kunnen leven, - wat doorgaans niet lukt, maar daarom nog wel de moeite waard is, minstens voor henzelf.


III.
Wanneer een levensvorm niet afgestemd raakt op de veranderende omgeving, dan wordt een ideologie belangrijk (een religie, bijvoorbeeld, of een politieke leer), als houvast en richtlijnenproducent, voor hoe te denken en te handelen, in weerwil van de omstandigheden.
Hoe groter de discrepantie, hoe sterker de behoefte aan houvast, en des te dogmatischer het geloof in de richtlijnen. Zij gaan als waarheid een eigen leven leiden, los van de werkelijkheid waar zij ooit de gebruiksaanwijzing bij waren.
Wie eenmaal zo sterk gelooft in de eigen waarheid, zal uiteindelijk elke poging opgeven om zich nog langer aan te passen aan veranderende omstandigheden, en zal overgaan tot het omgekeerde: het aanpassen van de omstandigheden aan de ideologie, of minstens een poging daartoe.
Een dergelijke poging kan niet zonder geweld, zowel fysiek, als geestelijk. Het succes van een dergelijke wanhoopspoging kan echter niet meer dan tijdelijk zijn. Uiteindelijk mislukt elk geloof of ideologie aan de werkelijkheid.


IV.
Levensvormen en hun ideologie zijn cultureel-evolutionaire aanpassingsstrategieën. Zoals ook geldt voor dieren en planten, zo zullen slechts die menselijke levensvormen (opgevat als cultuur scheppende leef- en denkwijzen) overleven die zich met succes weten aan te passen aan veranderende omstandigheden. De andere levensvormen zullen afsterven en verloren gaan, of marginaal worden, - al bewijst de geschiedenis dat dit selectieproces bijzonder lang kan duren, gelet op het lot van tal van godsdiensten, zeker wanneer hun aanhangers beschikken over machtsmiddelen (financieel, economisch of militair) die in staat stellen tot lang rekken; een kwestie van tijd.


V.
Planten, vlinders en zeeleeuwen kennen geen exces. Ongeremd leven zij hun volle potentieel.


VI.
Het menselijke exces wordt in belangrijke mate voortgebracht door de potentie en de macht van de verbeelding. Daarom is de verbeelding niet zomaar een bijkomstigheid of een illusie, ook niet in ontologische zin, maar een uitbreiding van de werkelijkheid. Een oneindige uitbreiding zelfs.

           
VII.
Ben ik nu al enkele decennia bezig met filosofen, zeer uiteenlopend in visie en thematiek, in een poging mij de ‘taal’ van de wereld eigen te maken? Is de veronderstelling dat ik mij daardoor in de wereld minder een vreemde zal voelen? Het zou goed kunnen.
Vraag is hoe ver ik daarin wil gaan. Is dat onderzoek niet eindeloos? Wordt het tijd voor andere exploraties?
Zeker is dat de kennismaking met de filosofen die ik in de loop van mijn leven heb bestudeerd ook werkelijk ervaar als een verrijking! Een verrijking die ik voor geen geld zou willen missen. De verschillende filosofen bieden mij perspectieven om hetzelfde telkens anders te leren zien en daardoor ook ruimgeestiger te leven.
Als ik in filosofie op zoek was naar een ‘gebruiksaanwijzing’ bij de wereld en bij het leven, dan valt niet te ontkennen dat deze poging mij heeft geholpen mij meer thuis te voelen!


VIII.
Voor de gezondheid beter om zich over menselijke zotheid vrolijk te maken dan om er tegenin te gaan.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen